Meer leven

Hij zegt dat je te veel van hem verwacht. Dat hij je nog nooit heeft gevraagd om je te verontschuldingen. Hij zegt dat je terug moet vechten, tegen je problemen en desnoods tegen hem. Je zegt dat je moe bent, niet meer kan, gaat slapen.

Een vriend, de volgende dag: ‘Je bent geen slecht persoon, en een goed persoon evenmin.’ Je moet mensen ruimte geven om boos te zijn, zegt hij. Mensen zijn soms boos. Dat gebeurt. Hij zegt: ‘Kom je bed uit vandaag. Hij ziet je graag, ik zie je graag, de hele wereld ziet je graag.’ En ook, hij: ‘Sorry voor gisteren.’

Nu goed. Er gebeuren iedere dag dingen die meer wereldschokkend zijn dan ruzie met je beste vriend. Daar zwijgen we ook over.

Er is niet veel veranderd. Je bent nog steeds een moeilijke vrouw die gemakkelijk schrikt. Je bent regelmatig bezorgd over alle personen die je in het verleden was, de akelige kantjes die scherper aanvoelen in je herinnering, en hoe er mensen op deze wereld rondlopen die alleen maar dat over jou weten, nog steeds overtuigd dat je werkelijk zo vreselijk bent.

Een bijna werkloze vriend die je tijdens die periode kende, zit naast je op de vloer. Zijn hand rust op het parket, alsof splinters niet bestaan. Hij drinkt roze wijn uit een goudomrand whiskyglas en zegt: ‘Je moet leren uitzoomen. Je kan niet blijven denken aan die acht mensen die je een slecht mens vinden nu je omringd bent door zoveel mensen die het goede in je hebben mogen ervaren.’ Jezelf vergeven voor wie je was is een cruciaal onmogelijke vereiste voor je eigen toekomst.

Je zoekt je toevlucht in het gezelschap van je dichtste vrienden, die evengoed onbeschermd zijn voor dit alles. Maar ze openen altijd de deur. Je zit op hun grijze zetel en je leest, je schrijft, je observeert hoe ze elkaar graag zien en hun liefde voor elkaar maakt alles minder zwaar.

Je merkt elk nieuw meubelstuk in hun appartement op, de kleine veranderingen, de poster die jij voor hen bestelde en eindelijk is ingekaderd. Het is een privilege om dat te zien groeien. Ze tonen het trots, praten over de plannen voor een tapijt, een lamp misschien, en nog wat planten. Meer leven.

Het is een soort van geheim geluk. Met een boek waarvan je de laatste pagina’s uitstelt, in hun bijzijn, lopend door de kamer en prompt papieren in stapels reorganiserend terwijl ze afwezig een verhaal vertellen over iets dat lang voordat je hen ontmoette gebeurde, lang voor ze de mensen waren waar je uiteindelijk van zou houden. Je kijkt op en je vraagt: ‘Wat zei je?’ En ze lachen gewoon, zetten nog wat koffie.

Je blijft langer dan je wil, niet zo lang als je zou willen. Maar ze dringen aan: ‘Blijf nog even om samen te eten.’ Je vraagt: ‘Ben ik hier niet te vaak?’ En ze antwoorden: ‘Je weet dat je welkom bent.’ En op een andere dag: ‘Maar misschien niet tot na middernacht deze keer.’

Het verlangen om naar huis te gaan, het verlangen om je heel te voelen, om te weten waar je bent, en dat je daar veilig bent, om te ontwaken uit een soort van slaap en om te rusten van al dat ontwaken, om de duisternis vanbinnen te bezweren, om te stoppen met spreken en toch perfect begrepen te worden. Een thuis. Dat is wat ze jou geven.

Deze vriendschap, belangrijk als het is, versnelt onwillekeurig. Er is altijd een volgende dag, weet je. Er is altijd volgende week, volgende maand, of de volgende onwaarschijnlijke omvang van een eerste lentedag op hun dakterras. Op een avond zegt hij: ‘Je hebt zoveel talent. Je zoekt nu even je weg in het leven, maar je gaat altijd de mooiste uitdagingen kunnen aangaan.’ Hij gelooft meer in jou dan dat jij in jezelf gelooft.

De waarheid is: jullie zijn nog maar kinderen. Jullie dromen van iets groters en het lijkt alsof erover gepraat kan worden, zonder dat je het moet uitspreken. Ondertussen openen hij en zijn vriend altijd de deur. Hij zegt: ‘We proberen je zo goed mogelijk te ondersteunen.’ En omdat je hem daar blind in vertrouwt, blijf je overeind.

Je bent te laat voor afspraken omdat je panikeert, bang om iedereen te verliezen aan iets dat je niet zelf in de hand hebt. Dat einde is verzonnen. Je moet tegen jezelf zeggen: ‘Dit is niet echt. Dit zit in mijn hoofd. Iedereen is hier.’ Een vriendin stuurt je een bericht: ‘Ik ben blij dat je er gisterenavond was.’ En je kan het niet laten om te zeggen: ‘Sorry dat ik zo was.’ Ze is alleen maar lief: ‘Je bent goed, hoe je ook bent.’

Je neemt de tweeënveertig stappen van je voordeur naar de deur van je appartement. Het eerste licht dat je aansteekt is dat van de gang. Je blijft even staan voor je de sleutel in het slot draait. De boeken, overal verspreid in stapeltjes, liggen nog steeds op de plaatsen waar je ze vergeten was. Boeken die naast je versleten schoenen rusten bijvoorbeeld, boeken waar je verstrooid in begon te lezen in plaats van je veters te knopen en naar buiten te stappen.

In de keuken staat een afwas van vier dagen. Je gooit een handdoek over de vuile borden en draait gedachteloos de dop van de halfvolle fles witte wijn. Een bericht van je beste vriend: ‘Ik ben thuis en ik heb veel water gedronken. Jij doet dat best ook.’ Je vertrouwt hem. Je vertrouwt ze allemaal.

Hoe ben je hier beland? Hoeveel twintigers zijn op dit moment overrompeld door een onverwachte stroom van tranen, wandelen op dit moment de twaalf stappen naar hun badkamer, kijken op dit moment wezenloos naar hun gezicht in de spiegel, geschrokken door wat er aan het gebeuren is, de beklemmende roes van onvoorziene veranderingen?

Je neigt de nabijheid van die mensen te vergeten. Als je wil, kan je een paar straten doorkruisen of de laatste trein halen en iemand vinden die exact hetzelfde voelt. We zijn allemaal gekweld door deze testversie van het echte leven. We zoeken allemaal naar nieuwe manieren om oude vrienden te zijn.

Je schudt je hoofd. Je zet de vijf stappen van de badkamer naar je bed. Je stuurt naar een vriendin uit Antwerpen: ‘Hoe was het bij de dokter? Heb je tijd om mij even te bellen?’ Nog geen seconde later gaat de telefoon over. En ze zegt: ‘Je zit niet vast. Je weet gewoon nog niet waar je terecht gaat komen.’ Je knikt, al weet je dat ze dat aan de andere kant van de lijn niet kan zien. Ze praat tegen haar kat.

De volgende dag ga je de hele namiddag schrijven in de koffiebar waar haar vriend na lang ziek zijn terug aan de slag is. Hoe hij de kopjes vult, de vanzelfsprekende eenvoud daarvan, vervult jou met onvoorstelbare trots. Dat mensen sterker zijn dan ze zelf doorhebben. Jij misschien ook.

Tijdens zijn pauze vertelt hij je over een nieuw project. Jullie proberen nog steeds jullie doelen na te streven, ondanks de stevige grip van de realiteit, ondanks alles wat jullie binnen probeert te houden: onbetaalde rekeningen, vergeelde foto’s van overleden mensen op de koelkast, berichten die je nooit beantwoordde, uitnodigingen waar je niet op inging, boodschappenlijstjes met slechts drie items, deadlines.

Hij sluit de zaak af en jij gaat naar huis. De mensen die je graag ziet komen en gaan in je appartement alsof het een bibliotheek is en zij lak hebben aan de huisregels. Ze vertrekken en soms wil je even later een zin, iets wat je onderlijnde, herlezen en dan blijkt dat boek verdwenen. Het kan niet weg zijn; als je alle deuren openzet, is het een grote ruimte hier, en daarbinnen: spullen die verdwijnen.

Dat is wat ze doen. Ze vertrekken en pas weken later besef je dat ze iets van jou hebben meegenomen. Je moet er maar op vertrouwen dat ze bij jou terugkomen, en dat je in tussentijd nieuwe woorden vindt waar je streepjes onder kan trekken, om dan tegen iemand te zeggen: ‘Hoor eens.’ En hoe rustig dat je maakt.

De wereld kan zichzelf doen gelden als een reeks grote teleurstellingen, en ook kleinere, waarvan je hebt geleerd dat ze moeilijker zijn om vrede mee te nemen omdat ze op de een of andere manier onuitsprekelijk zijn.

Het komt neer op dit: soms, in het leven, gebeuren er dingen die je nooit had verwacht. Je vraagt je af: ‘Hoe overleef ik dit?’ En dan plots sta je jaren verder. Je stelt jezelf nog elke dag diezelfde vraag: ‘Hoe overleef ik dit?’ Maar je overleeft. Want soms gebeuren er dingen die je nooit had verwacht. Soms zijn ze ook mooi. En daar leef je dan voor.

 

 

Advertenties

Wat blijft

Er was lezen, en schrijven en de eindeloze reorganisatie van het appartement. Het belangrijkste deel van elk verhaal is niettemin het einde. En dan plotseling weet je: het is voorbij. Je wordt wakker en voor je staat de angst van een verdwenen jaar. De stad waar we wonen wordt stilaan een bedevaartsoord. De plaatsen waar we twijfelden, liefhadden, vochten en alles weer goedmaakten. Waar we dronken dartelden door de straten, ons niet bewust van de oneindigheid van die uren. De ruïnes waarin we strompelden met onze schitterende verwondingen, die voor de rest van onze levens zullen blijven jeuken en trekken. Willen we die plekken verbranden in plaats van ze te zien veranderen, of zullen we ze gewoonweg vergeten?

Nu de dagen korter zijn en de nachten koud, is je opgevallen hoe rijk het licht is overdag. De schaarste van de tijd in de zon doet je waarderen hoe het zachte goud zich met een rillende helderheid verspreidt door je woonkamer. En je houdt van alle belabberde foto’s van zonsondergangen die mensen delen op sociale media. Je houdt ervan dat we allemaal verwonderd blijven over hetzelfde fenomeen en dat, hoewel we het nooit helemaal goed kunnen vastleggen, het ons er niet van weerhoudt om het te blijven proberen.

Het is het soort naïef optimisme dat je rust geeft. Omdat optimisme ambitieus is, kan het op elk moment als alles aanvoelen, inclusief niets. Het kan zich manifesteren als beklemming, honger, nieuwsgierigheid en het hele gamma van sluwe neutraliteit. Het is de opwinding bij het vooruitzicht van de verandering die zal komen. Of, de verandering die niet zal komen. We groeien niet chronologisch. We zijn volwassen de ene dag, nog jong de volgende.

Je kan je gemakkelijk voorstellen dat je nooit meer schrijft, zowel onbewust als opzettelijk. Het is gemakkelijk omdat er maanden zijn geweest waarin je geloofde dat niet schrijven de enige manier was om te leven. Het schrijven bezorgt je niets dan zorgen en een lege bankrekening. Het is de productie van een onmogelijk verlangen. Dus je wil het even niet meer doen.

In tussentijd wil je vooral niet alleen zijn. Je vindt het niet leuk als de lichten doven. Mensen komen constant onaangekondigd bij je over de vloer, mensen die aanwezig zijn. Deze mensen bieden je de geruststelling dat je nog steeds bent wie je bent, zelfs als je geen zin op papier krijgt. Je hebt het gevoel dat het enkel in het donker is, en als je alleen bent, dat je verdwijnt. Je wil gezien worden zonder dat je bekeken wordt, een irrationele overtuiging zo intens dat je ook werkelijk gelooft dat je zonder zou sterven. Het liefste van al zou je een beetje minder willen voelen en een beetje meer willen weten.

Op oudejaarsnacht ben je omringd door mensen die veel slimmer zijn dan jij. Het is een verademing om zinvolle gespreken te voeren met individuen die je mateloos fascineren. Na het vuurwerk zit je in de slaapkamer met een vriend. Hij zegt: ‘Ik denk soms dat ik een slecht persoon ben.’ Meteen voel je de drang om hem tegen te spreken. Maar hij is zo eerlijk en je wil hem het recht op die emotie gunnen.

Het recht om te twijfelen aan wie of wat of hoe je bent, is onontbeerlijk. Zonder zouden we niet blijven zoeken naar manieren om zachter te worden. Voor onszelf. Voor elkaar. Voor anderen. Je denkt: ‘Dat is wat ik wil: nooit helemaal zeker zijn van mezelf.’ Dit is wat je hem niet vertelt: dat hij zijn tijd ver vooruit is in die zin dat hij goed is op een manier waarop niemand die je kent hier goed is. Vol gebreken en de wil om dat te erkennen en te verbeteren. In zichzelf. In anderen. In de wereld.

Hij en zijn vriend geven je op de eerste dag van het jaar een plek in de zetel om stilzwijgend naast hen te lezen en de manier waarop ze zo vanzelfsprekend vriendelijk zijn, voelt bijna aan als buikpijn. Je moet jezelf vooroverbuigen, jezelf vasthouden. Omdat ze zo geduldig zijn en dat blijven doen zonder enige inbreng van jezelf, zonder dat ze er iets voor terugkrijgen.

Als je pijn hebt, is alles wat je doet onbesproken dapper. Want als je pijn hebt, krijg je een vreemde, ongewenste controle over wat er over je gezegd en gedacht wordt. Je kan een wereld zonder kritiek creëren, omdat voorzichtigheid is aangeraden. Je bent van porselein. Als je valt, als je breekt, dan lijk je ook zo. Niemand wil daar nog barsten aan toevoegen. Iedereen wil je bij elkaar houden. En zij, meer dan wie ook, houden je bij elkaar. Zij voegen niets toe aan de pijn die je voelt. Ze zijn gewoon afwachtend aardig. En meer kan je op zo’n moment niet verwachten van vrienden. Je kan ze voor eeuwig graag zien en het zou niet voldoende zijn om ze terug te geven wat ze voor jou betekenen.

Je wil beter worden in het missen van de mensen die je graag ziet en gemist worden door de mensen die je graag zien. Als het missen vertrekt vanuit liefde, mag het je niet verdrietig maken. Je moet leren loslaten, want van al dat wanhopig vasthouden schiet je hart in een kramp. Je moet er gewoon op vertrouwen dat het klopt. Je moet ademen. Dat vraagt ruimte, tijd, afstand.

Na een lange stilte, vertelt je beste vriend eindelijk wat er aan de hand is. Je hart breekt een beetje, maar je luistert. Het spijt je dat hij zoveel onzekerheid voelt, onzekerheid die je kan waarnemen maar die je niet volledig kan wegnemen. Hij zegt: ‘Het helpt wel om dit aan jou te vertellen.’ Dat is een voorrecht, want verdriet is meestal datgene wat we voor elkaar willen verbergen. Niet hij.

Jullie herkennen iets in elkaar, denk je, maar die herkenning zorgt soms ook voor frictie. In de spiegel kijken is niet altijd geruststellend. Vaak is dat het laatste wat we willen zien. We kunnen zoveel wijze woorden van elkaar accepteren als we niet bij elkaar zijn, terwijl we in de aanwezigheid van de ander vaak zwijgen. Niet hij. ‘Je bent niet beter dan ik’, zegt hij tenslotte, ‘Maar je bent genereus. Hoe je mij graag ziet op dagen waarop ik niet lief kan zijn voor mezelf, dat is magisch.’

Die eerste dagen denk je veel na over de manieren waarop mensen tonen dat ze van iemand houden zonder het uit te spreken. Iemand die de leeslamp naast je aansteekt, iemand die een lijst maakt met kleine taakjes voor dagen waarop alles te veel lijkt, iemand die je een boek cadeau geeft met op de eerste bladzijde een boodschap waaruit blijkt dat ze je echt kent, iemand die na het eten zijn hand op je schouder legt en vraagt: ‘Ben je oké?’ En dan je flauw knikje beantwoordt met een glimlach die je zegt: hij begrijpt het.

Je denkt op de vierde avond van het jaar maar aan een zin: ‘Niemand huilde vandaag.’ Je hebt vandaag niet gehuild. Je hebt gisteren gehuild. Je zal morgen huilen. Maar je hebt vandaag niet gehuild. Het is geen prestatie, slechts een observatie, maar net zo goed een die het verstrijken van de tijd markeert als het omgekeerde daarvan.

Je wacht altijd maar op dat ene ding dat zal je leven zal vergroten. Dat gigantische ontwaken. Maar geluk komt niet op de manier die je verwachtte; niet als een reeks grote, goede gebeurtenissen in de loop van de tijd, maar een opeenstapeling van kleine, onbelaste momenten: iemand die een deken over je legt en je voorhoofd kust, iemand die ziet dat je het koud hebt en die je een kop thee maakt zonder dat je er moet om vragen, iemand die zegt dat hij houdt van hoe je glimlacht als je een fragment uit een boek voorleest, iemand die in stilte naast je werkt en geen vragen stelt – hij weet het al. Alles. Geluk gebeurt hier en daar, onbewaakt en klein wonderlijk, als sneeuw die onaangekondigd valt. Niet de extatische buien die we ons hadden voorgesteld, maar in plaats daarvan zorgvuldig, opportunistisch, de tong uitsteken om de vlokken te proeven. En daar dan samen om lachen.

Je leeft voor de momenten die je dwingen om je telefoon neer te leggen, die je het gevoel geven dat er iets groters is dat voor je zorgt. Of, zelfs als dat niet zo is, hoe mensen nog steeds proberen voor elkaar te zorgen.

Op de twaalfde dag van het jaar verzamel je de vrienden die oprecht om je geven in je woonkamer. Ze zitten allemaal aan de te kleine tafels in je te kleine appartement. Ze zijn daar, allemaal. Je denkt: ‘Ik ga minstens een beetje beter het nieuwe jaar in dan de manier waarop ik aan het vorige begonnen ben.’

Het was moeilijk om iedereen samen te krijgen. Maar ijveren voor die mooie avonden is de moeite waard; ze vormen een hele wereld. Na dit jaar, dat aanvoelde als het klare bewijs van het absurde, waarin iedereen die je kent een zware last bergopwaarts moest krijgen, blijf je vasthouden aan de gedachte dat er nog steeds vreugde te vinden is in de inspanning tot toenadering.

Een vriendin begint aan een nieuwe job. Een vriend komt binnenkort eindelijk wonen in de stad waar je zo van houdt, dicht bij jou. Een vriendin piekert over geld. Een vriend krabbelt langzaam overeind, na maanden ziek zijn. Een vriendin stort zich met hernieuwde energie op de arbeidsmarkt. Een vriend overweegt om alles overboord te gooien en opnieuw te beginnen. Een vriendin twijfelt over hetzelfde, maar spreekt dat nooit uit. Een vriend werkt verder aan de grootse dingen die hij vorig jaar startte.

Na te veel glazen wijn sta je naast een vriend, jullie leunen tegen de muur, en je merkt op: ‘Alles gaat nu veranderen, hé?’ En hij zegt: ‘Ja.’ En dan, glimlachend: ‘Wij blijven wel hier.’ Die nacht val je in slaap omringd door deze mensen, deze prachtige mensen. Je hoort niet eens wie het huis verlaat, en wanneer. Maar je bent er helemaal zeker van: dit blijft. Zij blijven.

Er is nooit genoeg liefde

Je beste vriend ligt boven je in een stapelbed en stuurt een bericht: ‘Ik word verdrietig van deze muziek.’ Je glimlacht in stilte en antwoordt: ‘Alles maakt jou verdrietig.’ Je stelt je voor hoe hij ook stiekem lacht. Leonard Cohen zingt over het Chelsea Hotel: ‘I don’t mean to pretend that I loved you the best. I can’t keep track of each fallen robin.’ 

De hele nacht stormt het buiten. De wind beukt keihard tegen de zeilen van de tent. Maar je voelt je veilig. Want je bent in zijn buurt. De volgende ochtend zegt hij: ‘Ik heb berekend hoe snel ik buiten kon geraken, mocht de boel instorten.’ Nog weken blijf je hieraan denken. Aan de optelsom die hij maakte. Elke dag kom je uit bij een ander resultaat.

Je denkt hier aan in het ziekenhuis, terwijl een vriend rust. De stoplichtoranje zak chemo balanceert boven zijn hoofd. Jij leest een boek. Hij blijft slapen. Wanneer het te donker is om verder te lezen, staar je naar hem. Je knipt het licht niet aan. Je weet dat je hem niet wakker moet maken. Niet nu hij eindelijk slaapt. Hij weet dat je het niet erg vindt. Dat hij slaapt. En precies daarom mis je hem, de vriend die zonder woorden weet wat je denkt. Je mist de kleine dingen. Hem ophalen na zijn werk en samen door de stad wandelen. Wijn drinken op je balkon. Films kijken tot laat in de nacht. Naar concerten gaan. Praten, uren praten. Jullie gesprekken over het leven hebben je al meer inzichten gegeven in de relaties tussen mensen dan eender welke intimiteit die je ooit gekend hebt.

Jullie delen een zekere onherroepelijke schade. Een onafwendbare gevoeligheid voor de voorgeschreven sociale ongelijkheid van deze wereld. Jullie zijn gefascineerd door het leven, maar schuwen de veelheid aan invullingen ervan. Eenvoud. Daarop is jullie vriendschap gebaseerd.  Hij weet wie je bent. Hij doet daar nooit moeilijk over. Hij heeft er eindeloos veel geduld mee. Dus ja, je mist hem. De dag waarop het gemis te intens wordt, sta je thuis voor je raam. Net wanneer je in tranen wil uitbarsten, begint het te sneeuwen. De eerste sneeuw. Dus je lacht, haalt je telefoon uit je zak en je stuurt hem: ‘Bedankt voor de sneeuw.’ En binnen de seconde krijg je respons: ‘Voor jou alles.’

Zijn vriendin blijft bij jou logeren wanneer ze de laatste trein niet wil halen. Ze komt op een avond toe en huilt een uur onophoudelijk. Je wikkelt haar in een dekentje. Je geeft haar een glas water. Je gaat op een stoel tegenover haar zitten en wacht beheerst tot ze klaar is om erover te praten. ‘Het is zo oneerlijk’, snikt ze uiteindelijk. Je voelt die pijn in drievoud. Een keer voor hem, een keer voor haar, een keer voor jezelf. Het is bijna ondraaglijk. Jullie blijven nog lang op. De volgende dag is ze weg nog voor je wakker bent. Ze laat een briefje achter op de tafel: ‘We are so fucking lucky to have a friend like you.’

Je brengt tijdens die eerste periode veel tijd door op het appartement van een vriend en zijn vriend. Het is zo goed als je tweede thuis geworden. Ze verwachten helemaal niets van je en daarom voel je je geborgen bij hen. In een klein hoekje lees je ongestoord ontelbare hoofdstukken. Zijn vriend zet koffie voor je. Hij werkt ondertussen verder. Schrijft altijd aan een of andere prachtige tekst waar hij uren over twijfelt. Je wil die onzekerheid wegnemen. Maar je weet niet hoe.

Af en toe vraagt hij naar het boek dat je die dag meebracht. Dan schrik je, omdat je snel vergeet waar je bent als je bij hem bent. Omdat je zo op je gemak bent dat je vergeet dat hij er is. Telkens je daarna enthousiast maar zonder enige samenhang praat over de verhalen, kijkt hij je aan met een vreemd geamuseerde blik. Hij onderbreekt je nooit.

Op een avond gaat hij vroeg slapen terwijl jij nog met zijn vriend in de zetel hangt. Je staat op, gaat naar de slaapkamer en zet je neer op het voeteneinde van het bed. ‘Ik weet dat je geen gemakkelijke dag had’, fluister je na een poosje, ‘Maar daar moet je nu niet aan denken.’ Hij ligt met zijn rug naar je toe. ‘Ik zal proberen’, mompelt hij. Je zwijgt even. Je wil hem zoveel zeggen. Je vertelt uiteindelijk dat hij een goede vriend voor je was die dag. ‘Je bent altijd een goede vriend voor me’, vul je aan. Je meent het. Het is niet zijn schrijven dat je in hem bewondert; het is wie hij is. Hoe hij is. Sommige mensen zijn moeiteloos mooi. Dat zeg je niet. Je hebt er de juiste woorden niet voor. Dus je gaat op je tenen de kamer uit.

Je beste vriend stuurt je op datzelfde moment: ‘Mijn telefoon gaat uit tot morgenavond.’ Je antwoordt dat je hem graag ziet. Het is essentieel om mensen in je leven te hebben die altijd antwoorden met ‘ik zie je graag’ als je het te druk hebt en je hoofd te warrig is om afspraken na te komen. Vrienden bij wie je terecht kan wanneer je geen aangenaam gezelschap bent. Vrienden die geen energie van je vragen, maar je energie geven. Gewoon door bij je te zijn. Vrienden die je goedemorgen en slaapwel sturen, zelfs als alles daartussen in stilzwijgen gehuld blijft.

De volgende dag vraagt hij: ‘Vind je het nog steeds leuk om mij te zien?’ Je wil hem zeggen dat je aan hem denkt. Dat je constant aan hem denkt. Dat het veel van je vraagt, al dat denken aan hem. Dat je soms, voor een seconde, eens aan iemand anders moet denken.

Een andere vriendin zegt bijvoorbeeld: ‘Ik voel afstand tussen ons.’ Je zit op een terras in Brussel. Je luistert gedwee naar alle manieren waarop je haar tekortschoot. Je denkt: misschien ligt de oplossing in het weten welke woorden moeten worden uitgesproken, welke acties moeten worden ondernomen en in welke volgorde. Of misschien ligt het antwoord in iemands blik. In haar blik. Je kijkt naar je nerveuze handen tussen je knieën.

‘En je hebt nooit over mij geschreven’, besluit ze plots, ‘Niet een keer.’ Je voelt een krop in je keel. Je eerste indruk van haar was die van een ambitieuze vrouw die zonder succes probeerde om een normaal persoon te zijn. Een vermomming zo buitensporig dat misleiding haar handelsmerk werd. Maar je leerde al snel dat haar beruchte charme door angst afbrokkelde. Je wil haar zeggen hoe je dat ziet. Hoe ze dat voor jou niet kan verstoppen. Je bijt op je lip. Je bent je pijnlijk bewust van wat ze denkt: dat jij een keuze hebt gemaakt tussen twee steden. Je wist niet dat het ook een keuze was tussen hem en haar. Dat was nooit de bedoeling. Je vraagt je af: hoe zijn we hier beland?

Weken verstrijken. Je probeert uit het niets je weg te vinden. Je tast in het duister. Op sommige dagen gebeurt er niets catastrofaals. Alles is normaal en de wereld draait door. En toch heb je berekend hoe snel je hier weg kan geraken. Mocht de boel instorten. Je bent zo moe. Dat is wat je zegt als mensen vragen hoe het met je gaat: ‘Ik ben moe.’ Het kruipt onder je vel. De dokter vraagt: ‘Wil je dood?’ En je schudt het hoofd, smalend: ‘Nee, ik wil leven.’ Hij wacht even. Maar meer wil je er niet over kwijt. Hij krabbelt iets in zijn notitieboek en zegt vervolgens: ‘Je moet je zinnen afmaken.’

‘Volgens mij is er tegenwoordig te veel begrip’, zegt de jonge theatermaakster die je interviewt op een zondagmiddag, ‘Ik bedoel dat niet verkeerd. Ik wil gewoon zeggen: we maken er nu zo’n heisa van als mensen even zeggen dat het niet goed gaat, terwijl het juist de normaalste zaak van de wereld is. Je kan het niemand overigens kwalijk nemen in deze samenleving.’ De twintiger zit tegenover je met een kop thee. Je knikt bedachtzaam, maar je stelt geen vragen meer. Je moet het allemaal even laten bezinken.

Je was het afgelopen jaar geabsorbeerd in een poëtische wereld en week zelden af van je magische realisme, zorgvuldig geconstrueerd uit dakterrassen, panoramisch uitzichten, wijn en overvolle agenda’s. Er was zo’n overvloed aan keuzes dat het onmogelijk werd om een ​​beslissing te nemen: wie heb je het liefst lief? Om wie geef je het meest? Er is nooit genoeg liefde. Je besefte te laat dat niemand ooit diep genoeg kan identificeren met de problemen van iemand anders om de zinnen ‘ik weet hoe je je voelt’ en ‘ik zie je ondanks alles graag’ vol te houden.

Dat heeft je hart een keer te veel gebroken. Je bent niet langer in staat om meer kennis in je hoofd te verdragen. Niet zoals vroeger. Het doet te veel pijn om alles over iedereen te weten. Je kan niet blijven iedereen redden. Daar komt nooit een einde aan. Je houdt je hand op je hart. Ze zijn daar. Iedereen is daar. Jij ook. Je hoopt dat je daar snel berusting in kan vinden.

 

We gaan allemaal vooruit

Je plaatst twee waarheden naast elkaar. De eerste: je ziet ze allemaal graag. De tweede: je bent moe. Je vertelt het hen niet. Je neemt je voor: binnenkort. Je geeft nooit minder dan het allerbeste van jezelf. Misschien blijft er daarom zo weinig van je over. De dokter zegt: ‘Voor anderen zorgen is een oefening die zich strekt in de oneindigheid.’ Hij is slim. Je zit zwijgend in de stoel. Iedere keer, op het einde van het gesprek, vraagt hij: ‘Komt er nog een volgende afspraak?’ Het is een test waar je graag voor wil slagen.

Dingen die je onlangs geboeid hebben, meer dan normaal: het bloedrode paars van de blauwe plek op je knie, alle gepassioneerde vrouwen die hun mond bedekken tijdens het lachen, de rustige steegjes verborgen tussen de straten van Gent – hoe autonoom en onaangetast ze lijken, alsof ze hun eigen ecosysteem hebben, alsof ze ons kunnen overleven – en hoe je jezelf uitwist wanneer je mensen gerust wil stellen. Het gaat goed. Echt. Je moet uit dat soort kleine tijdsmomenten stappen. Je moet in het licht van de dag bestaan. Je moet de aanwezigheid van alles nederig, grenzeloos, oprecht en buitengewoon angstaanjagend toelaten. Maar het blijft moeilijk.

‘Ik wil niet dat je je leven voorstelt als een romanpersonage’, zegt een vriend. Hij staat voor je deur met brood en soep omdat je ziek bent. De uren daarna lig je te huilen op je bed. De mensen zijn prachtig. Het blijft je verbazen. Wanneer hij verhuist, ben je de eerste die de nieuwe plek te zien krijgt. Jullie drinken rode wijn op de vloer van het dakterras. Het regent zachtjes. Achteraf denk je: nooit gaan we nog samen zijn zoals we vanavond samen waren, aan het begin van alles en met nog niets in handen. Middernacht strijkt voorbij en jullie blijven praten. De duisternis hindert niet.

Je bent bang om te gaan slapen. Om terug wakker te worden. Je bent bang om op te staan. Om je aan te kleden. Om aan de dag te beginnen en die weer te eindigen. De week waarin je besluit dat je niet meer mee wil doen, brengt je beste vriend bloemen naar je appartement. Hij doet je water drinken. ‘Soms denk ik dat ik meer moet luisteren’, bedenkt hij, ‘Zeg het mij als ik gewoon meer moet luisteren.’ Je lacht. Je kamerplanten gaan altijd dood, vertel je hem. Je geeft ze te veel water. Het blijft gebeuren. Hij zegt: ‘Dat dingen dood kunnen gaan door ze te veel te geven. Daar ben ik elke dag bang voor. Dat is heel donker. Maar ook heel herkenbaar.’ Een last valt van je schouders. Je wil altijd alles voor iedereen zijn, zodat niemand het je kan kwalijk nemen dat je alleen maar jezelf bent. Maar het is zo eenvoudig om jezelf te zijn bij hem. Het is genoeg.

Hij praat in zijn slaap en zelfs dan luister je aandachtig. Je wil al zijn verhalen horen. ‘Doe dat niet’, raadt hij af, ‘Misschien zeg ik wel iets choquerends.’ Dat jaagt je helemaal geen angst aan, wil je hem toevertrouwen. Omdat je van hem houdt is het aan jou om getuige te zijn van zijn leven. Van alles in zijn leven. Je lacht enkel en zegt: ‘Het is vertederend dat je zelfs ’s nachts niet stil kan zijn.’ Hij antwoordt: ‘Het klopt dat ik nooit stop met praten. Sorry als het soms wat veel is.’

Jullie hebben niet veel, maar jullie hebben dit: een dak boven jullie hoofd, wijn op de tafel, en elkaar. ‘Ik hoop dat je nooit twijfelt aan hoe graag ik je zie’, zegt hij, ‘Want echt, er is niemand waar ik zo veel over praat dan jou.’ Je luistert zonder hem te onderbreken. Als jij praat, doet hij precies hetzelfde. ‘Bij wie ben je gisteren geweest?’ vraagt hij vervolgens. Hij maakt zich constant zorgen dat je jouw tijd verspilt met mensen die je niet waard zijn. Je bent verwonderd, iedere keer opnieuw, door wie je bent als hij over jou spreekt.

Pratend ontdek je wat hem echt bezighoudt. Enige aarzeling klinkt in zijn stem. Je kent die twijfels. Want wie begint met dingen toe te geven, weet nooit waar het eindigt. ‘Weet je nog?’, gaat hij verder, ‘Die avond enkele maanden geleden. We waren beide erg dronken en we zaten neer op de dansvloer. Je vroeg of ik gelukkig was. En dat was ik echt. Weet je nog?’ Je vraagt: ‘Die avond of dat je gelukkig was?’ Hij zwijgt. Drinkt zijn wijn.

Jij telt ondertussen de vormen van gelukkig zijn die geen glimlach vereisen. In een museum voor een schilderij naar adem happen omdat je een nieuwe kleur ontdekt. Uit vliegtuigraampjes turen en je voorstellen hoe het zou zijn om op de wolken te dansen. Op je blote voeten over het warme parket van je appartement lopen als de zon net op is. Een zin lezen die zo goed is dat je moet opkijken van je boek om hem te laten bezinken. De maan die verdwijnt als je er met je duim over veegt en één oog dichtknijpt. Na een lange stilte zegt hij alleen maar: ‘Ja.’

‘En weet je ook nog wat ik toen zei?’, vraag je. Je legt de nagels van je duim en wijsvinger tegen je bovenlip, prikt een beetje in het vlees, merkt die beweging op en stopt abrupt. Hij kijkt je aan. Zijn lippen vormen de woorden in stilte. ‘Je weet het nog’, knik je, ‘Goed. Dat is goed. Onthoud het ook.’ Hij schuift even over zijn stoel. ‘Ik weet dat je soms het gevoel hebt dat je mij moet beschermen’, begint hij, ‘Maar dat is nergens voor nodig. Ik kan meer aan dan je denkt.’

Later die nacht, in bed, vraag je hem of iemand die zelfmoord pleegt veel pijn voelt. ‘Misschien heeft het lichaam een manier om het zenuwcentrum uit te schakelen op zulke momenten’, antwoordt hij slaperig. En dan, zachtjes: ‘Wil je erover praten nu?’ Je draait je op je zij. Hij doet hetzelfde. Het dekbed kraakt. Je hebt verse lakens opgelegd. Speciaal voor hem. Hij ruikt naar alcohol en schone was. ‘Het is trouwens oké als je er nooit over wil praten’, zegt hij, ‘Weet gewoon dat ik er voor je ben.’ Je fluistert: ‘Ik weet het. Ga slapen.’ Hij sluit zijn ogen. Het ritme van zijn ademhalen vertraagt. Je wacht. En dan komt het. Zijn stem. Zinnen die je niet kan verstaan. ‘Het spijt me’, hoor je hem zeggen. Je weet niet eens of hij al slaapt. Maar je luistert. Je luister altijd.

‘Ik weet niet wat ik moet zeggen, maar ik wil niet afleggen’, zegt een vriendin na de dood van een muzikant. ‘Niet afleggen’, antwoord je. ‘Waarom is elke keer mogelijks de laatste keer?’, vraag je. ‘Ik wou dat dit niet gebeurd was’, zegt ze. ‘Zou hij zich heel erg eenzaam gevoeld hebben?’, vraag je. Ze zwijgt. Je weet precies wat ze niet zegt. Wat ze wel wil zeggen. Wat ze niet eens moet zeggen. Jullie weten beide waar dit gevoel vandaan komt. Jullie kennen deze plek. Jullie kennen deze pijn. Dit is niet nieuw.

Er bestaat geen manier om iemand echt in leven te houden eens ze dood zijn. Omdat je het moet opschrijven en dat is niet de waarheid, het is gewoon een verhaal. Verhalen zijn het enige dat we achterlaten. Slimme verhalen, samengesteld uit geselecteerde feiten. ‘Ze hangt haar verhaal aan te veel verschillende kapstokken op’, zegt de filosoof  wanneer hij denkt dat je hem niet meer kan horen, ‘Ze schrijft als vrouw, als vriendin, als dochter, als zus, als minnares. Het is te veel constructie. Zij is te veel constructie.’ Maar dat klopt niet. De waarheid is: je gelooft dat je het kan veranderen, wat gebeurd is, dat je het ongedaan kan maken. Natuurlijk kan dat niet. Dood is dood. Daarna rest er enkel nog leven. Tegenwoordig hebben je verhalen meer schaduwen.

In een taxi in Londen, in het midden van de nacht, na een feestje, zegt diezelfde vriendin: ‘Het is de eerste dag van de maand. Vanaf vandaag gaan we aan onszelf denken.’ Jullie zijn de dochters van alle eenzame vrouwen die nooit dachten dat ze het zouden maken. Maar zij deden het toch. Jullie deden het toch. Jullie zijn hier. En jullie zijn wolven. Je levensstrijdkrachten omvatten, in geen volgorde: genoegen nemen met wat onvolledig is, tederheid voor mensen die snel panikeren en in het bezit zijn van een waterdicht noodplan.

Iemand waar je immens veel om geeft wordt ziek. Ze moeten de tumor uit zijn lichaam halen. Je beste vriend stuurt de ochtend van de operatie: ‘Ik ben hier. Ik ben in Gent, in de buurt. Maar ik ben ook hier, aan deze telefoon, altijd.’ Het is raar. Je wordt ‘s ochtends wakker met een berustend gevoel. Hij zal gered worden. Jij zal gered worden. Je vrienden zullen gered worden. Jullie zullen allemaal gered worden, en sindsdien is alles vreemd rustig, alhoewel je zenuwachtig door je appartement ijsbeert, je bewust van elke cel in je lichaam en hoeveel pijn ze allemaal doen door de beklemmende angst om hem te verliezen. Om hen allemaal te verliezen. Om altijd zomaar, van de ene dag op de andere, mensen kwijt te kunnen spelen, even banaal als een sjaal die je laat liggen op de trein: de rest van de dag heb je het koud, voel je aan je hals en is daar enkel je hartslag en een huivering.

Als de dag achter de rug is, als je eindelijk thuis bent, is alles normaal en bekend en vooral heel stil. Het is te veel. Je denkt: deze wereld kan al die soorten levens onmogelijk bevatten. Je voelt dat je gek wordt wanneer je je realiseert dat deze wereld inderdaad zo groot is, dat het inderdaad uit die meest vreselijke dingen kan bestaan wanneer het maar wil. En ook uit de mooiste. We gaan allemaal vooruit. We komen nooit meer terug naar hier. Voorlopig is dat voldoende.

Je zit in je woonkamer. De avondzon schuift langzaam de kamer binnen. Alles gloeit goud. Je kijkt naar de klok, die niet enkel het uur maar ook de datum aangeeft. Het is tijd om hem te bellen, je beste vriend. Als hij opneemt, vraagt hij meteen: ‘Wil je erover praten nu?’ En jij, glimlachend, zegt: ‘Ja.’

 

Goede mensen

Het is heel moeilijk om goed te zijn. Om de vuile was op te rapen in plaats van het te laten ophopen in een hoekje op de vloer. Om de afwas effectief te doen en het niet te laten opstapelen rond het aanrecht. Om de boodschappen uit de verpakking te halen en netjes in kasten te bewaren. Om de rekeningen niet net iets langer dan nodig in de brievenbus te laten liggen. Om stapeltjes boeken, overal verspreid, in rekken te rangschikken. Eerst volgens grootte, later volgens auteur. Het zonlicht vangt het stof, waar het een ballet van ordeloosheid danst in een straal die langzaam, gedurende de dag, over het parket glijdt. Je doet niets, of zeer weinig, om de ruïnes in je huis aan te pakken.

Thuis is het toegestaan om slecht te zijn. Niemand houdt een score bij. Niemand controleert of je braaf je bord leeg hebt gegeten. Zeven dagen binnen, zonder enig contact met de buitenwereld, en je bent toch niet teruggetrokken. Je bent veilig. Je neemt tijd voor jezelf. Je rust. Je leest het nieuws niet. Je scrollt niet door tijdlijnen. Je doorspit geen opiniepagina’s. Je probeert niet meer te begrijpen hoe we hier beland zijn, of waarom. De knoop ontwarren vraagt te veel energie. Je wil niet meer hopen tegen beter weten in. Je weet beter, en je wou dat het niet zo was. Patronen laat je links liggen. Je legt je neer bij het feit dat niets het onvermijdelijke kan voorkomen, en je zondert je af in het belang van het behoud van je geestelijke gezondheid. Het scherm vervang je door een raam. Het raam wordt een muur. De muur blijft.

Een man met macht neemt woorden in de mond alsof ze niets betekenen. ‘Wat wil hij zeggen wanneer hij spreekt? Wat betekent het allemaal?’ vraagt een buitenlandjournalist. Niemand kent het antwoord. Niemand weet wat hij bedoelt. De teruggang van taal doet pijn. Daarom schrijf je. De enige manier die je hebt om op de hoogte te blijven zonder verontwaardiging en woede je leven te laten overheersen, is alles op papier zetten. Het voelt aan als liefde. Of wat ervoor doorgaat. Tussen de zinnen is een plek waar je misschien iets waardevols kan produceren. Iets dat je mee kan nemen als je terugkomt. Waar je bent, weet je zelf ook niet. Je probeert desondanks om het precies en waarachtig uit te drukken. Het is een vorm van verzet, vind je. Maar alles wat je uitwerkt blijft in notitieboekjes, in documenten vol witregels, en vooral ongelezen.

Aan de andere kant van de wereld zegt een senator dat Joden geen echte mensen zijn. Nog een kerel noemt zwangere vrouwen eigendom van echtgenoten. ‘Ze moeten de gevolgen van hun daden dragen’, meent hij. Een vrouw spreekt de waarheid uit en verliest haar job. In eigen land besluit een politicus dat iedere verdachte vreemdeling ook zonder proces uitgewezen kan worden. Het is te veel tegelijk om te begrijpen. Op het werk ben je omringd door mannen, honderden mannen die zich allemaal afvragen waarom jij een vrouw bent. Je sleept je naar iedere vergadering en je overtuigt jezelf dat jij daar thuishoort. Je gelooft het amper. Na een meeting wandel je langs het bureau van een vriend die pas in het gebouw werkt. Je drukt een klapzoen op zijn wang en hij schrikt op. ‘Ik word niet elke dag gekust door een vrouw’, lacht hij nadat je je uitgebreid hebt verontschuldigd. Je denkt: dit is de liefste jongen die ik ken. Je denkt: hoe kan ik hem beschermen? De volgende ochtend word je wakker naast een vriendin. Terwijl zij slaapt, schrijf je dit allemaal neer. Als ze naast je komt staan, in de zon voor het raam, besef je dat ze nog nooit zo knap geweest is als nu. De wijnfles op de schouw is niet eens leeg.

Miljoenen vrouwen komen op straat. Overal. Ze eisen hun lichaam terug. Ze weigeren toe te geven aan discriminatie, van welke soort ook. Je voelt je begrepen maar eenzaam. Een vriendin vraagt je mee naar een protest. De straat is waar mensen hun ongenoegen kanaliseren. ‘Ik moest hier gewoon zijn’, legt ze uit. ‘Ik word elke ochtend bang wakker’, biecht ze op. Ze spreekt ernstig en eerlijk. Ze kiest haar woorden met grote zorg. Ze praat uitgebreid over onderwerpen die iets in haar teweeg brengen: ongeloof, onmacht, mededogen en, tenslotte, ook hoop. Ze is hartverscheurend en bewonderenswaardig duidelijk, ondanks haar twijfels. Je kijkt naar haar, hoe ongelooflijk prachtig ze is, en je bent opgelucht om te weten dat ze net als jij is op dit moment: verward en kwetsbaar, maar voorzichtig positief. Je leest de slogans op de borden en je ziet overal hetzelfde terugkomen. Iedereen voelt zich alleen. Dat doen we samen.

Je denkt: misschien was het vroeger echt wel beter. Het verleden is een vreemde plaats. Als je er te veel tijd doorbrengt, ga je tegen je eigen leven in. De lijken vallen uit de kast en je kust ze, omhelst ze, wil ze niet loslaten. Het is emotionele necrofilie. Hier is alles begrensd. Het is geruststellend. De mensen kunnen niet meer evolueren. Niemand gaat vooruit, wat ook betekent dat niemand achteruit gaat. Het is een perfect antigif voor de rusteloosheid die zich maanden geleden al in de plooien van je huid nestelde. Niemand maakt nog nieuwe fouten, niemand leert iets bij. Het is heel eenvoudig om de doden te vergeven. Het is heel simpel om ze te bewonderen. Je wil terug kind zijn, terug samen oud worden. Nostalgie naar je jeugd is het verlangen naar een tijd waarin je nog zeker wist dat je alles kon overleven. Maar zo werkt het niet, leer je met het ouder worden. Het leven is te luid, te aanwezig en, uiteindelijk, ondraaglijk. Maar mooi.

Je bent vaak onderweg. Je moet praten. Je brengt elke avond door in de woonkamer van een andere vriend of kennis, alsof dat de beste oplossing is voor een verbrijzeld leven: van plaats naar plaats trekken, in een poging locaties en mensen aan elkaar te rijgen en in de hoop dat je jezelf daar ergens tegenkomt. Iedereen stopt glazen rode wijn in je hand, terwijl je het liefst witte lust. Ze vragen hoe het met je gaat zonder te wachten op het antwoord. Ze zeggen: ‘Het zal allemaal wel niet zo’n vaart lopen.’ Ze zeggen: ‘Hij is zo slecht nog niet.’ Als je thuis bent, kan niemand je vinden. Je botst per ongeluk tegen muren en je voelt je onzichtbaar. Blauwe, paarse en vaag gele plekken verschijnen als sterrenstelsels op je schouders, je armen, je benen. Wanneer je eindelijk gaat slapen, kijk je naar de groene bolletjes naast de namen op je telefoon. Het is een geruststelling om te weten dat iedereen online is.

Als het lukt, vul je je appartement met mooie mensen. Je ziet ze allemaal verschrikkelijk graag. Ze brengen wijn en woorden met zich mee, niet noodzakelijk in die volgorde. Ze dansen, ze zingen en ze vragen zich af hoe we nu verder moeten. De volgende dag stuurt een vriendin je een foto van een ziekenhuisbed en je stopt eventjes met ademhalen. Niet veel later stort iemand anders in omdat ze niet meer wil eten. ‘Ik ben bang dat het weer uit de hand zal lopen’, snikt ze. Iemands ouders gaan scheiden. Een vriend woont sinds kort in Milaan en heeft heimwee. Elke avond stuurt hij je de uren van vluchten die vertrekken vanuit Brussel. Harten worden gebroken. En al die pijn die niemand ziet, is zo zichtbaar voor jou. Je weet niet wie je eerst moet troosten. Je wou dat je niets gaf om niemand. Je bent constant bang om iedereen te verliezen. Het is verstikkend. De persoon aan wie je alles wil vertellen is afstandelijk. ‘Je maakt mij bang als je me vraagt om je te vertellen over wat mij gelukkig maakt’, zegt hij, ‘Ik denk altijd dat je aan de rand van de afgrond staat.’ Je staart naar de grond.

Zijn vriend komt een hele dag bij jou werken. De stilte voelt niet lastig aan. Het tikken van zijn toetsenbord is als het tikken van de regen tegen de ruit: rustgevend, vertrouwd. Jij schrijft. Hij werkt aan zijn thesis. ‘Op mijn school heeft iedereen een vijfjarenplan’, vertelt hij, ‘En ik heb enkel zicht op de volgende twee uur van mijn leven. Wat daarna komt, weet ik niet.’ Hij heeft een toekomst, weet je, en die zal prachtig zijn. Je deelt een ruimte met hem waarin je anders op je eentje bent. Je staat hem toe dat hij vragen stelt. ‘Alles bij elkaar genomen ben ik redelijk gelukkig’, geef je toe, alsof geluk aan rede gebonden kan zijn.

Hij wil weten of je goed bent in alleen zijn. Je mist hem terwijl hij nog naast je zit. Dat zeg je niet. Je geeft niet prijs dat je wil dat mensen zich comfortabel voelen in je buurt, of dat je de zorgen van iedereen die je ontmoet wil verlichten. Je haalt je schouders op; je gezichtsuitdrukking verraadt niets. Hij wikkelt zich in het zwarte deken dat naast de pastel roze sofa ligt. ‘Je moet het mij zeggen als het te koud wordt’, waarschuw je voor de derde keer, ‘Ik zet de verwarming niet vaak op zodat ik kan besparen.’ Nooit heb je genoeg geld. Hij rilt en zegt dat het prima is zo. Dat is wat je altijd doet: je merkt gedrag op, je analyseert handelingen, en je articuleert ze nadien met een perfecte helderheid. Het stelt niet veel voor, maar erna lijkt het allemaal een beetje overzichtelijker.

Wanneer je verloren loopt in jezelf, schuilt zekerheid in dat soort bevestigingen. In alle details dubbelchecken. In voorzichtig vragen: ‘Beloofd?’ En geloven dat die belofte niet gebroken kan worden enkel en alleen omdat je het vroeg en zij ja zeiden. In een laatste bericht voor het slapengaan, ook al is niet alles uitgepraat of uitgesproken. In je hartslag, meer dan 100.000 keer per dag. Ook wanneer je wakker wordt en een naam in een blauwe tekstballon het eerste is wat je ziet. Ook wanneer je de voetstappen telt van de persoon die ’s nachts op straat achter je loopt. Ook wanneer ze achteraf vragen waarom je in godsnaam op die plaats was, op dat uur, alleen. Ook wanneer je nagels in je huid boren. Ook wanneer de administratie van het leven je passies transformeert in facturen, boetes en postzegels. Ook wanneer je fouten maakt. Kleine fouten die enorm groot lijken. Grote fouten die je klein krijgen. Ook wanneer je niemand wilt zien. Ook dan klopt het. Ooit zal dat stoppen. Ons hart is een tikkende tijdbom, een wapen de grootte van een vuist.

Wat een buitengewoon normale levens leiden wij dus, alles in beschouwing genomen. We zijn zo gemanierd. Alles staat op de juiste plek. We doen allemaal ons best. Om ons lichaam zich niet te laten misdragen. Om onze gedachten niet te laten ontrafelen. We slikken vitamines en niemand steelt iemands vriendje. Iedereen zegt sorry op het juiste moment en als we artikels lezen op het internet, zal er altijd iemand zuchten: ‘Ik wou dat er meer diversiteit was in de media.’ Iedereen zal heftig knikken. We zijn positief over het lichaam van anderen. We zijn positief over elkaars seksualiteit. We zien geen gender, kleur of nationaliteit. We doen ons best om wat we niet begrijpen verstaanbaar te maken door slimme vragen te stellen. En ondanks alles aarzelen we geen seconde wanneer we onverwacht vreugde voelen. We geven er meteen aan toe. We hebben onszelf er bijna van overtuigd dat we goede mensen zijn. Misschien is dat een manier van terugvechten.