Goede mensen

Het is heel moeilijk om goed te zijn. Om de vuile was op te rapen in plaats van het te laten ophopen in een hoekje op de vloer. Om de afwas effectief te doen en het niet te laten opstapelen rond het aanrecht. Om de boodschappen uit de verpakking te halen en netjes in kasten te bewaren. Om de rekeningen niet net iets langer dan nodig in de brievenbus te laten liggen. Om stapeltjes boeken, overal verspreid, in rekken te rangschikken. Eerst volgens grootte, later volgens auteur. Het zonlicht vangt het stof, waar het een ballet van ordeloosheid danst in een straal die langzaam, gedurende de dag, over het parket glijdt. Je doet niets, of zeer weinig, om de ruïnes in je huis aan te pakken.

Thuis is het toegestaan om slecht te zijn. Niemand houdt een score bij. Niemand controleert of je braaf je bord leeg hebt gegeten. Zeven dagen binnen, zonder enig contact met de buitenwereld, en je bent toch niet teruggetrokken. Je bent veilig. Je neemt tijd voor jezelf. Je rust. Je leest het nieuws niet. Je scrollt niet door tijdlijnen. Je doorspit geen opiniepagina’s. Je probeert niet meer te begrijpen hoe we hier beland zijn, of waarom. De knoop ontwarren vraagt te veel energie. Je wil niet meer hopen tegen beter weten in. Je weet beter, en je wou dat het niet zo was. Patronen laat je links liggen. Je legt je neer bij het feit dat niets het onvermijdelijke kan voorkomen, en je zondert je af in het belang van het behoud van je geestelijke gezondheid. Het scherm vervang je door een raam. Het raam wordt een muur. De muur blijft.

Een man met macht neemt woorden in de mond alsof ze niets betekenen. ‘Wat wil hij zeggen wanneer hij spreekt? Wat betekent het allemaal?’ vraagt een buitenlandjournalist. Niemand kent het antwoord. Niemand weet wat hij bedoelt. De teruggang van taal doet pijn. Daarom schrijf je. De enige manier die je hebt om op de hoogte te blijven zonder verontwaardiging en woede je leven te laten overheersen, is alles op papier zetten. Het voelt aan als liefde. Of wat ervoor doorgaat. Tussen de zinnen is een plek waar je misschien iets waardevols kan produceren. Iets dat je mee kan nemen als je terugkomt. Waar je bent, weet je zelf ook niet. Je probeert desondanks om het precies en waarachtig uit te drukken. Het is een vorm van verzet, vind je. Maar alles wat je uitwerkt blijft in notitieboekjes, in documenten vol witregels, en vooral ongelezen.

Aan de andere kant van de wereld zegt een senator dat Joden geen echte mensen zijn. Nog een kerel noemt zwangere vrouwen eigendom van echtgenoten. ‘Ze moeten de gevolgen van hun daden dragen’, meent hij. Een vrouw spreekt de waarheid uit en verliest haar job. In eigen land besluit een politicus dat iedere verdachte vreemdeling ook zonder proces uitgewezen kan worden. Het is te veel tegelijk om te begrijpen. Op het werk ben je omringd door mannen, honderden mannen die zich allemaal afvragen waarom jij een vrouw bent. Je sleept je naar iedere vergadering en je overtuigt jezelf dat jij daar thuishoort. Je gelooft het amper. Na een meeting wandel je langs het bureau van een vriend die pas in het gebouw werkt. Je drukt een klapzoen op zijn wang en hij schrikt op. ‘Ik word niet elke dag gekust door een vrouw’, lacht hij nadat je je uitgebreid hebt verontschuldigd. Je denkt: dit is de liefste jongen die ik ken. Je denkt: hoe kan ik hem beschermen? De volgende ochtend word je wakker naast een vriendin. Terwijl zij slaapt, schrijf je dit allemaal neer. Als ze naast je komt staan, in de zon voor het raam, besef je dat ze nog nooit zo knap geweest is als nu. De wijnfles op de schouw is niet eens leeg.

Miljoenen vrouwen komen op straat. Overal. Ze eisen hun lichaam terug. Ze weigeren toe te geven aan discriminatie, van welke soort ook. Je voelt je begrepen maar eenzaam. Een vriendin vraagt je mee naar een protest. De straat is waar mensen hun ongenoegen kanaliseren. ‘Ik moest hier gewoon zijn’, legt ze uit. ‘Ik word elke ochtend bang wakker’, biecht ze op. Ze spreekt ernstig en eerlijk. Ze kiest haar woorden met grote zorg. Ze praat uitgebreid over onderwerpen die iets in haar teweeg brengen: ongeloof, onmacht, mededogen en, tenslotte, ook hoop. Ze is hartverscheurend en bewonderenswaardig duidelijk, ondanks haar twijfels. Je kijkt naar haar, hoe ongelooflijk prachtig ze is, en je bent opgelucht om te weten dat ze net als jij is op dit moment: verward en kwetsbaar, maar voorzichtig positief. Je leest de slogans op de borden en je ziet overal hetzelfde terugkomen. Iedereen voelt zich alleen. Dat doen we samen.

Je denkt: misschien was het vroeger echt wel beter. Het verleden is een vreemde plaats. Als je er te veel tijd doorbrengt, ga je tegen je eigen leven in. De lijken vallen uit de kast en je kust ze, omhelst ze, wil ze niet loslaten. Het is emotionele necrofilie. Hier is alles begrensd. Het is geruststellend. De mensen kunnen niet meer evolueren. Niemand gaat vooruit, wat ook betekent dat niemand achteruit gaat. Het is een perfect antigif voor de rusteloosheid die zich maanden geleden al in de plooien van je huid nestelde. Niemand maakt nog nieuwe fouten, niemand leert iets bij. Het is heel eenvoudig om de doden te vergeven. Het is heel simpel om ze te bewonderen. Je wil terug kind zijn, terug samen oud worden. Nostalgie naar je jeugd is het verlangen naar een tijd waarin je nog zeker wist dat je alles kon overleven. Maar zo werkt het niet, leer je met het ouder worden. Het leven is te luid, te aanwezig en, uiteindelijk, ondraaglijk. Maar mooi.

Je bent vaak onderweg. Je moet praten. Je brengt elke avond door in de woonkamer van een andere vriend of kennis, alsof dat de beste oplossing is voor een verbrijzeld leven: van plaats naar plaats trekken, in een poging locaties en mensen aan elkaar te rijgen en in de hoop dat je jezelf daar ergens tegenkomt. Iedereen stopt glazen rode wijn in je hand, terwijl je het liefst witte lust. Ze vragen hoe het met je gaat zonder te wachten op het antwoord. Ze zeggen: ‘Het zal allemaal wel niet zo’n vaart lopen.’ Ze zeggen: ‘Hij is zo slecht nog niet.’ Als je thuis bent, kan niemand je vinden. Je botst per ongeluk tegen muren en je voelt je onzichtbaar. Blauwe, paarse en vaag gele plekken verschijnen als sterrenstelsels op je schouders, je armen, je benen. Wanneer je eindelijk gaat slapen, kijk je naar de groene bolletjes naast de namen op je telefoon. Het is een geruststelling om te weten dat iedereen online is.

Als het lukt, vul je je appartement met mooie mensen. Je ziet ze allemaal verschrikkelijk graag. Ze brengen wijn en woorden met zich mee, niet noodzakelijk in die volgorde. Ze dansen, ze zingen en ze vragen zich af hoe we nu verder moeten. De volgende dag stuurt een vriendin je een foto van een ziekenhuisbed en je stopt eventjes met ademhalen. Niet veel later stort iemand anders in omdat ze niet meer wil eten. ‘Ik ben bang dat het weer uit de hand zal lopen’, snikt ze. Iemands ouders gaan scheiden. Een vriend woont sinds kort in Milaan en heeft heimwee. Elke avond stuurt hij je de uren van vluchten die vertrekken vanuit Brussel. Harten worden gebroken. En al die pijn die niemand ziet, is zo zichtbaar voor jou. Je weet niet wie je eerst moet troosten. Je wou dat je niets gaf om niemand. Je bent constant bang om iedereen te verliezen. Het is verstikkend. De persoon aan wie je alles wil vertellen is afstandelijk. ‘Je maakt mij bang als je me vraagt om je te vertellen over wat mij gelukkig maakt’, zegt hij, ‘Ik denk altijd dat je aan de rand van de afgrond staat.’ Je staart naar de grond.

Zijn vriend komt een hele dag bij jou werken. De stilte voelt niet lastig aan. Het tikken van zijn toetsenbord is als het tikken van de regen tegen de ruit: rustgevend, vertrouwd. Jij schrijft. Hij werkt aan zijn thesis. ‘Op mijn school heeft iedereen een vijfjarenplan’, vertelt hij, ‘En ik heb enkel zicht op de volgende twee uur van mijn leven. Wat daarna komt, weet ik niet.’ Hij heeft een toekomst, weet je, en die zal prachtig zijn. Je deelt een ruimte met hem waarin je anders op je eentje bent. Je staat hem toe dat hij vragen stelt. ‘Alles bij elkaar genomen ben ik redelijk gelukkig’, geef je toe, alsof geluk aan rede gebonden kan zijn.

Hij wil weten of je goed bent in alleen zijn. Je mist hem terwijl hij nog naast je zit. Dat zeg je niet. Je geeft niet prijs dat je wil dat mensen zich comfortabel voelen in je buurt, of dat je de zorgen van iedereen die je ontmoet wil verlichten. Je haalt je schouders op; je gezichtsuitdrukking verraadt niets. Hij wikkelt zich in het zwarte deken dat naast de pastel roze sofa ligt. ‘Je moet het mij zeggen als het te koud wordt’, waarschuw je voor de derde keer, ‘Ik zet de verwarming niet vaak op zodat ik kan besparen.’ Nooit heb je genoeg geld. Hij rilt en zegt dat het prima is zo. Dat is wat je altijd doet: je merkt gedrag op, je analyseert handelingen, en je articuleert ze nadien met een perfecte helderheid. Het stelt niet veel voor, maar erna lijkt het allemaal een beetje overzichtelijker.

Wanneer je verloren loopt in jezelf, schuilt zekerheid in dat soort bevestigingen. In alle details dubbelchecken. In voorzichtig vragen: ‘Beloofd?’ En geloven dat die belofte niet gebroken kan worden enkel en alleen omdat je het vroeg en zij ja zeiden. In een laatste bericht voor het slapengaan, ook al is niet alles uitgepraat of uitgesproken. In je hartslag, meer dan 100.000 keer per dag. Ook wanneer je wakker wordt en een naam in een blauwe tekstballon het eerste is wat je ziet. Ook wanneer je de voetstappen telt van de persoon die ’s nachts op straat achter je loopt. Ook wanneer ze achteraf vragen waarom je in godsnaam op die plaats was, op dat uur, alleen. Ook wanneer je nagels in je huid boren. Ook wanneer de administratie van het leven je passies transformeert in facturen, boetes en postzegels. Ook wanneer je fouten maakt. Kleine fouten die enorm groot lijken. Grote fouten die je klein krijgen. Ook wanneer je niemand wilt zien. Ook dan klopt het. Ooit zal dat stoppen. Ons hart is een tikkende tijdbom, een wapen de grootte van een vuist.

Wat een buitengewoon normale levens leiden wij dus, alles in beschouwing genomen. We zijn zo gemanierd. Alles staat op de juiste plek. We doen allemaal ons best. Om ons lichaam zich niet te laten misdragen. Om onze gedachten niet te laten ontrafelen. We slikken vitamines en niemand steelt iemands vriendje. Iedereen zegt sorry op het juiste moment en als we artikels lezen op het internet, zal er altijd iemand zuchten: ‘Ik wou dat er meer diversiteit was in de media.’ Iedereen zal heftig knikken. We zijn positief over het lichaam van anderen. We zijn positief over elkaars seksualiteit. We zien geen gender, kleur of nationaliteit. We doen ons best om wat we niet begrijpen verstaanbaar te maken door slimme vragen te stellen. En ondanks alles aarzelen we geen seconde wanneer we onverwacht vreugde voelen. We geven er meteen aan toe. We hebben onszelf er bijna van overtuigd dat we goede mensen zijn. Misschien is dat een manier van terugvechten.

Dit is echt gebeurd

Je bent net als ik verbaasd. Je weet niet wat je moet zeggen, denken of voelen. Je bent uit balans en wankel. Je had geen idee dat dit zou gebeuren. Dat dit echt zou gebeuren. Dat mensen werkelijk zouden toegeven aan racisme, homofobie, seksisme, misogynie, massamanipulatie, intolerantie en haat. Dat mensen werkelijk een aanrander boven een capabele vrouw zouden verkiezen. Als je kwaad bent, is dat terecht. Ik ben ook kwaad. Ik ben verdrietig. Ik werd deze ochtend wakker en durfde mijn ogen niet meteen te openen, in mijn hoofd malend: dit is echt gebeurd. De rest van de dag ben ik misselijk. Ik ben bang. Ik ben diep ontgoocheld. Ik denk aan alle mensen waar ik van hou, hoe eenzaam en onbegrepen zij zich hierdoor voelen. En ik voel mij bedrogen. Jij snapt het. Ik weet dat jij het snapt. Je hebt net als ik nog even tijd nodig. Je wil nog niet “kijken naar de onderliggende motieven van de frustraties”. Je wil nog niet horen hoe “dit een duidelijk signaal is”. Je wil niet smalend aangemaand worden om “hem een kans te geven”. Je wil niet uitgelegd krijgen hoe dit een “volksopstand” is die “een nieuwe tijd introduceert”, een “bewust verzet van ontheemden die zich opzij geschoven voelen”.
Je denkt: deze situatie is uitzichtloos.

Op 18 januari 1915, toen de Eerste Wereldoorlog al zes maanden woedde, schreef Virginia Woolf in haar dagboek: “De toekomst is donker, wat, alles in beschouwing genomen, het beste is dat de toekomst kan zijn.” Donker, schreef ze. Niet ondraaglijk of ondenkbaar. Maar donker. In tegenstelling tot wat je nu denkt, is dat goed. Natuurlijk ben je bang. Maar wat is er nieuw aan die ervaring? Niets. Helemaal niets. Het is saai. Het is meer van hetzelfde: angst in een wereld vol angst. In het derde Potterboek schreef J.K. Rowling: “Geluk kan zelfs in de donkerste tijden gevonden worden als je maar herinnert om het licht aan te steken.” Geluk kan zelfs in de donkerste tijden gevonden worden. Dat is hoop. En ik weet dat hoop tegenwoordig een oubollig concept lijkt, maar het is zoveel moediger dan het alternatief. Want hoop vereist interactie met het onbekende. Het daagt je uit om na te denken over oplossingen. Hoop dwingt je om je aan te passen. Het verplicht je om het licht aan te steken, zelfs in de donkerste tijden.

Zoveel is veranderd in het donker. Zoveel vooruitgang is geboekt, zelfs wanneer we dachten dat alles grimmig was. Geschiedenis is niet zomaar een opeenstapeling van grote oorzaken en gevolgen. Soms kan een enkele persoon het verschil uitmaken. Soms inspireren de woorden en daden van die ene persoon een hele beweging. Hun stem zo luid dat de aarde trilt. Soms verzetten zij bergen. Ik wil jullie zeggen dat het allemaal belangrijk is. Iemand steekt de straat over. Iemand zegt hallo tegen een vreemde. Iemand koopt bloemen. Iemand luistert naar een verhaal. Iemand vouwt handdoeken. Iemand speelt het spel eerlijk. Iemand vraagt hulp. Iemand herinnert zich een verjaardag. Iemand houdt de deur open. Iemand gaat eerst. Iemand gaat laatst. Ik kijk naar die goede mensen, met goede bedoelingen en het universum lijkt niet zo beklemmend meer. Omdat zij mijn wereld elke dag veranderen.

Dat is hoop. En hoop is niet oubollig, klef of naïef. Hoop is interessanter dan angst. Doemdenken is een vorm van zekerheid, de zekerheid dat alles slechter zal worden. Dat krijg je constant bevestigd. Dat is gemakkelijk. Hoop is geloven dat het ook anders kan, dat een betere wereld niet gegarandeerd, maar wel mogelijk is. Ondanks alles. Hoop is een enorme gok. Het risico op teleurstelling is groot. Oorlogen zullen uitbreken, de planeet zal blijven opwarmen en onverdraagzaamheid dringt tot diep in onze levens binnen. Maar hoe erg dat uit de hand loopt, hangt af van ons vermogen om te hopen dat we er iets aan kunnen doen. Beseffen ook dat wij misschien een deel van het probleem zijn. Dat wij te comfortabel waren door onze privileges, blind. Daar iets aan willen doen. Echt iets aan willen doen. Eindelijk. En daar dan naar handelen. Deze situatie is niet uitzichtloos. Ja, de toekomst is donker. Maar, alles in beschouwing genomen, is dat het beste wat de toekomst kan zijn. I’m still with her

Geen maatschappij, geen spiegels, geen tijd, geen ruimte

“Mag ik je eigenlijk dik noemen?” De jonge journaliste tegenover mij vraagt het bijna verontschuldigend. Ze glimlacht nerveus, alsof ze met haar blik wil zeggen: het spijt mij, ik moet dit vragen van mijn redactie. We zitten in een rustige koffiebar in Gent, en ze interviewt mij over mijn boek dat de weinig aan de verbeelding overlatende titel Dik. Lelijk. Wijf. draagt. Natuurlijk moet ze dit op tafel gooien. Ik stel haar snel gerust. “Uiteraard mag dat”, zeg ik. Wat volgt is de standaarduitleg die ik heb ingestudeerd: ‘dik’ is een beschrijvend woord en je kunt het geen morele waarde opleggen. Ik ben dik, maar daarom geen slecht mens. Ik zeg het snel en vol overtuiging, als een brede pleister die ik van de wonde trek. Maar haar vraag, samen met haar zenuwachtige lachje, slaat mij toch uit het lood. Ik vloek inwendig, waar een aantal knopen opnieuw strakker aangetrokken wordt. Knopen die ik heb proberen te ontwarren door het schrijven van een boek. Ik wring in mijn handen. Het is een gewoontegebaar: ik hou mijn eigen hand vast, alsof ik mezelf zo bij elkaar kan houden. Ik wil mij eraan herinneren dat ik hier ben, op deze wereld en in dit lichaam.

Zie je, ik ben lang niet de sterke vrouw van wie iedereen beweert dat ik ze ben wanneer ze het over mijn boek hebben. Dapper, zeggen ze. En ik wimpel ze allemaal af. Gewapend met woorden kom ik inderdaad heel moedig over, maar ik ben met diezelfde woorden ook heel gemakkelijk klein te krijgen. Te gemakkelijk. Ik ben geen sterke vrouw. Ik ben een huilend meisje op de badkamervloer. Ik ben een jankende trut in publieke toiletten. Ik kom de paskamer niet uit. Ik zeg afspraken af. Ik blijf binnen en wil liever niet gezien worden, om opmerkingen als “Dik. Lelijk. Wijf.” te vermijden. Ik wil het niet meer horen. Het is het enige wat ik hoor. Ik kan alleen maar eerlijk zijn, en de waarheid is dat mijn boek geen triomfverhaal is. Ik ben nog steeds even dik en onzeker als vóór ik het geschreven had. Om niet te zeggen: nog onzekerder.

Ik heb daarom nog altijd niet het gevoel dat ik de meest gekwalificeerde persoon ben om over zelfbeeld te praten, maar ik weet ook niet aan welke vereisten ik zou moeten voldoen om die meest gekwalificeerde persoon te zijn. Eigenwaarde is het monster onder het bed van elke mens. Het maakt niet uit waar je bent, hoe oud je wordt en hoe geliefd je bent, je zult altijd het gevoel hebben dat het monster je naar beneden kan sleuren, in het diepe dal van zelfhaat en walging. De kloof tussen opgesloten zitten in je eigen lichaam en je goed in je vel voelen is hemelsbreed. Soms lijkt het alsof er niemand aan de andere kant staat die je zal opvangen. Als ik het waag om te springen, zal ik dan te pletter storten of veilig landen?

Ik ken het antwoord nog steeds niet. Als je denkt dat een boek schrijven over zelfbeeld een snelle route is naar een goed zelfbeeld, kan ik je meteen zeggen dat het zo niet werkt. Toch voor mij niet. Ik ben mij net nog meer bewust van het beeld dat mensen zich vormen van mij, een dikke vrouw: lui, luid, storend, vraatzuchtig, egoïstisch, ongezond en een gebrek aan karakter. “Dik. Lelijk. Wijf.” Soms kan ik alleen maar daaraan denken. Het knaagt. Zal ik voor altijd alleen dat zijn? Het is eng dat mijn vrienden, familie en alle mensen die nog in mijn leven moeten komen, zullen lezen over de onzekerheden die gepaard gaan met het meesleuren van dat extra gewicht. Ik vraag mij af hoe ze zullen reageren op wat ik pende over hoe het is om een vrouw te zijn die niet de hoofden doet draaien omwille van haar uiterlijk. Toch niet om “de juiste” redenen. Ik ben bang dat ik hier slecht ga uitkomen: ijdel, egocentrisch, obsessief, irritant en broos.

Ik weiger te geloven dat ik, zeker als vrouw, alleen maar bezig moet zijn met mooi zijn of mooi worden. Ik wil geloven dat ik comfortabel kan zijn met mijzelf – ook op de dagen waarop ik mij niet mooi voel. Ik wil mezelf zijn, en handelen en denken als mezelf. Niet als een potentiële versie die slanker is. Ik wil graag een goede schrijfster zijn, een goede journaliste en een goed mens. Liefst allemaal tegelijk. Ik wil serieus genomen worden in al die rollen, ondanks mijn vetrollen: als schrijfster, als journaliste en als mens. Ik wil gezien worden voor meer dan mijn lichaam. Gekkenwerk dus dat ik een boek uitbreng waarop mijn ergste demonen – dik, lelijk, wijf – vetgedrukt staan, zichtbaar voor iedereen. Ik wilde hier helemaal niet over schrijven. Ik vind dit gênant. Omdat mij is aangeleerd dat ik mij moet schamen voor mijn lichaam, dat ik er zeker niet te koop mee moet lopen. Wat ik nu juist wel doe. Ik wil dit boek verbranden. Ik wil de tijd terugdraaien en neen zeggen tegen mijn uitgever. Ik wil mezelf verzwijgen, in de hoop dat niemand over mijn lichaam praat. Geen verwijten. Geen achterklap. Geen oordelen.

En tegelijk wil ik ook dat het mij helemaal niets doet. Ik wil boven alles staan. Standvastig, zeker van mijn zaak en van mezelf. Maar ik verbrokkel bij het minste zuchtje kritiek. Ik weet niet wat er eerst komt: je niet aantrekken wat anderen van je denken, of van jezelf houden. Ik denk dat ons aangeleerd wordt om het eerste af te leren, om dan pas in staat te zijn tot het tweede. Alsof wij de pijn, onzekerheid en liefde die gepaard gaan met het hebben van een lichaam, gemakkelijk op een tijdlijn kunnen plaatsen. Dat is in werkelijkheid een stuk genuanceerder. Je niet aantrekken wat andere mensen van je denken, is de beste manier om de dag zonder kleerscheuren door te komen. Het is meteen ook de moeilijkste manier, want er gaat geen dag voorbij zonder dat wij beoordeeld worden – door anderen, door de maatschappij, maar vooral door onszelf en wat we van onszelf verwachten.

En je weet het. Je weet dat het onzin is. Je weet dat je meer bent dan je uiterlijk alleen. Je weet dat schuldgevoel en schaamte over een kledingmaat, een haarkleur of de vorm van je kin nergens toe leiden. Je weet dat je geluk niet kunt uitstellen tot je een kilogram minder weegt, tot je armen net goed genoeg gespierd zijn, tot je tanden helemaal wit zijn. Je weet dat het nastreven van een bikinibody je leven niet inherent beter zal maken. Toch zetten we door in een destructief patroon waarin we tegen onszelf zeggen: “Ik ben niet goed genoeg.” We klemmen de kaken op elkaar en laten niets meer toe: geen voedsel, geen communicatie. We zetten onszelf in de strafhoek, schuldig aan de complexe misdaad van maar een gewoon mens te zijn. Niet knap. Niet mager. Niet goed genoeg.

Ik ken meisjes die eeuwig meisjes blijven om die reden. Ik ken vrouwen die zichzelf wegcijferen om die reden. Ik ken mannen die weigeren om te spreken waarover ze denken niet te mogen spreken: dat zij zich ook slecht in hun vel voelen. Net als iedereen. Ik ken mannen die zwijgen uit angst om als zwak aanzien te worden. Ik ken vrouwen die zwijgen omdat ze zelfs niet aan zichzelf willen toegeven dat ze zich niet mooi voelen, want zij hebben geleerd dat lelijk het ergste is wat je als vrouw kunt zijn. Ik ken zoveel mensen, verschrikkelijk mooie mensen, die zichzelf verwaarlozen en zichzelf zo slecht behandelen. Het breekt mijn hart telkens ik dat bij anderen zie. Ik wil ze allemaal een hand reiken en toevertrouwen: “Ik zal je bij elkaar houden. Jij bent hier, op deze wereld en in dit lichaam.”

Maar dat kan ik niet doen. Ik kan het amper voor mezelf doen. De aanvaarding van je lichaam is gemakkelijk in theorie. In praktijk is het hard labeur. Ik maak mij vaak schuldig aan een mentaliteit waarin ik iedereen in mijn omgeving wil opdringen om lief te zijn voor hun lijf, alleen om mezelf dan toch nog stiekem te haten. Het is nooit gemakkelijk om te accepteren dat onze lichamen gebrekkig en feilbaar zijn. Dat ze veranderen. Dat ze uitzetten. Dat ze krimpen. Dat ze ouder worden. Dat ze aftakelen. Maar waar trekken we de grens? Wanneer zeggen we dat het moet stoppen? Willen we echt nog steeds enkel knap en mager en jong en aantrekkelijk zijn in onze doodskist?

Hoe vermoeiend. Hoe vreselijk vermoeiend. Het is tijd dat wij allemaal ons zelfbeeld opnieuw opeisen. Onze lichamen zijn veel meer waard dan wat we ze nu aandoen. Onze lichamen zijn meer dan objecten om af te breken. Onze lichamen zijn meer dan een wanhopig offer aan de samenleving; een offer dat, helemaal opgesmukt en ingesnoerd, schreeuwt: “Ik kan alleen maar bestaan als ik begeerd ben! Ik kan mij alleen maar goed voelen als jij mij waardeert!” Vrouwen als ik zijn nauwelijks begeerd. Vrouwen als ik worden nauwelijks gewaardeerd. Tegen vrouwen als ik wordt aanmoedigend gezegd: “Wees gewoon jezelf!” Dat heet dan ‘inspirerend’ op Pinterest, waar alles perfect is. Maar perfectie is uitputtend. Perfectie sloopt mij. Perfectie maakt mij kapot. Het maakt niet uit hoe hard je jezelf bent, we leven in een cultuur waarin het vrijwel onmogelijk is om de bestaande schoonheidsnormen te negeren. De representatie van dat ideaal is op ons netvlies gebrand en maakt ons blind voor de verschillende soorten schoonheid die verschillende soorten mensen en verschillende soorten lichamen bezitten.

Misschien wil je er op een bepaalde manier uitzien omdat je denkt dat de mensen je dan zullen respecteren, aandacht geven en luisteren naar wat je te zeggen hebt. Misschien wil je iets aan jezelf veranderen omdat je denkt dat je dan zult zijn wie je echt zou moeten zijn. Maar als het gaat over de persoon die je wilt zijn, moet je eerst weten wie dat is. En dat kun je alleen maar doen door de confrontatie met jezelf aan te gaan. De wortel van voorzichtig zelfvertrouwen schiet door de oppervlakte wanneer we bereid zijn ernaar te wroeten, wanneer we de aarde onder onze nagels tolereren. Graaf dieper. Haal jezelf terug naar boven. Sta jezelf toe om gewoon een mens te zijn, met een lichaam dat je helpt om een beter mens te worden. Geduldig voor jezelf en voor anderen. Body positivity betekent niet dat je voor de volle honderd procent positief moet zijn over het lichaam van anderen. Het betekent zelfs niet dat je voor de volle honderd procent positief moet zijn over je eigen lichaam. Het houdt gewoon in dat je probeert.

Dus probeer dit. Probeer jezelf in te beelden in een vacuüm. Jij alleen. Geen maatschappij. Geen spiegels. Geen tijd. Geen ruimte. Alleen jij. Geen mensen meer die jouw lichaam kunnen claimen. Je zweeft. Wat ga je aan jezelf vertellen wanneer het ‘alleen jij’ is? Zul je ‘ik hou van je’ fluisteren? Zul je het vervolgens schreeuwen tot dat het enige geluid is? Ik hoop het. Ik hoop dat er genoeg liefde in dat vacuüm wordt gepompt om een imperium op te bouwen, om uit het niets op te rijzen en grootser te zijn dan alle verwachtingen die jou werden opgelegd, door anderen en zeker door jezelf. Ik hoop dat je eruit komt met vertrouwen in wat je lichaam kan doen. Goed genoeg.

Ik leg daarbij heel bewust de nadruk op proberen. Er zullen nog altijd slechte dagen zijn, waarbij je het gevoel hebt dat je compleet waardeloos bent omwille van je uiterlijk. Er zullen nog altijd dagen zijn waarop mensen je daarop afrekenen en je hen gelooft, ook al weten ze niets over jou. Zelfhaat is heel verleidelijk, net omdat het zo vertrouwd en gemakkelijk is. Liefde vergt moeite. Uiteindelijk wordt het eenvoudiger om die donkere dagen te herkennen voor wat ze zijn: dagen die ook, net als alle andere, gewoon voorbijgaan. En dan is er een volgende ochtend waarop je in de spiegel naar jezelf kunt kijken en zeggen: “Beter nu.” Soms is dat een bevestiging, veel vaker is het een hoopvolle belofte. Dat is oké. Je hoeft heus niet elke dag de beste versie van jezelf te zijn. Je hoeft heus niet elke dag van de daken te schreeuwen dat je van jezelf houdt. Je mag breekbaar zijn. Je mag zelfs breken. Dat is net wat je een mens maakt. En mensen zijn de moeite waard. Daarom heb ik dit boek geschreven. En ja, je mag mij gerust dik noemen.

Dit stuk verscheen op 30 augustus 2016 in Knack Weekend naar aanleiding van mijn boek “Dik. Lelijk. Wijf.”.

Voor wanneer het gevoel ontbreekt

Ik weet niet goed waar ik precies moet beginnen. Het is een vreemde zomer. Ik zag de zon ondergaan op Sunset Boulevard, in West Hollywood, waar ik naar de sterren keek en niemand mijn naam kende. Op de vlucht naar Los Angeles zat ik naast een industrieel ontwerper uit Stockholm met wie ik zeven uur lang sprak over passie voor je job. Op de vlucht terug naar België zat ik naast een jonge vrouw uit Californië die voor een half jaar naar Rome verhuisde en de taal nog niet machtig was. Ze telde tot tien in het Italiaans terwijl ze in slaap viel. Op het dakterras van The Beverly Hilton sprak ik met een collega over de link tussen verdraagzaamheid en terreur, en hoe de som van die dingen altijd liefde zou moeten zijn. Met een andere collega sprak ik over hoe moeilijk het is om als jonge vrouw met veel ambitie in de media te staan.

De energie die ik van zulke gesprekken krijg is zeer belangrijk. Ik heb het moeilijk om contact te leggen met creatieve mensen. Ik heb nood aan waardevolle gesprekken en zinvolle uitstappen met mensen die weten wat het is om jong, gedreven en ook een beetje verloren te zijn. Als ik wil afspreken met iemand, lijkt dat altijd zo beladen: je moet een versie van jezelf presenteren die je niet helemaal bent, of er wordt meteen verondersteld dat je een date wil met die persoon. Alsof dat de drijfveer moet zijn achter elk sociaal gebeuren. Hier is de waarheid: natuurlijk wil ik meer. Meer goede inzichten, meer perspectieven, meer mooie woorden, meer constructieve initiateven en meer mensen die mij dat allemaal kunnen geven. Ik doe voorzichtige pogingen om bepaalde mensen te benaderen en al die hoopvolle interacties eindigen met een: “We moeten binnenkort eens koffie drinken.” De ene vage afspraak wordt verlegd naar de andere vage afspraak, tot er uiteindelijk een van ons sterft.

Ik begrijp niet waarom mensen zichzelf zo afschermen terwijl we juist zoveel van elkaar kunnen bijleren. En tegelijk heb ik er natuurlijk wel begrip voor, alles in rekening genomen. Zoals ik al zei: ik weet niet goed waar ik precies moet beginnen. Het is een vreemd jaar. Zorgeloosheid is een risico geworden, blijkt uit recente gebeurtenissen. Ik heb geen emotionele tolerantie voor de harde manier waarop we elkaar behandelen en dat maakt mij langzaam maar zeker kapot. Ik kan ongeveer drie uurtjes per dag een perfect functionerende volwassen persoon zijn voor ik in tranen uitbarst over een of andere actuele gebeurtenis. Ik wil lang genoeg leven om te zien hoe deze wereld ondanks alles toch een betere plek wordt, maar ik wil niet lang leven en het tegendeel bewezen zien. Ik wil geloven dat deze wereld een goede plaats is, met goede mensen die goede bedoelingen hebben. Mijn empathie is mijn grootste kracht, en tegelijk maakt het mij ook heel mistroostig. You win some, you lose the will to live.

Ik probeer mezelf te zeggen: de echte ramp is wanneer we helemaal niets meer voelen. Maar ik betrap mezelf er soms op dat ik juist dat zou verkiezen. Niets voelen. Niets voelen telkens een nieuwe stad of nieuwe naam een hashtag wordt. Niets voelen telkens ik in het midden van de nacht opgebeld word met slecht nieuws. Niets voelen telkens de liefde die ik heb voor deze wereld de grootste oorzaak is voor de last om te leven in die wereld. Met grote ogen kijk ik naar alles wat gebeurt. Verbaasd hoor ik hoe mensen over elkaar spreken. Ik ben stil geworden. Dit zijn de vragen die ik iedereen wil stellen als ik lang zwijg, geïnspireerd op het werk van een Franse artieste waarvan de naam mij helaas ontgaat: wanneer ben jij voor het laatst gestorven? Wat krijgt jou nog uit bed in de ochtend? Wat is er geworden van je kindertijddromen? Wat onderscheidt jou van alle anderen? Hoe ga jij helpen? Wat ontbreekt er in jouw leven? Denk je dat iedereen een kunstenaar kan zijn? Waar sta je nu in het leven en wat heb je daarvoor moeten opgegeven? Of wie? Wat doe je met je geld? Waar kom je voor op? Wat maakt jou verdrietig? Ben je in staat om iets te weigeren? Wat is het meest kwetsbare deel van je lichaam? In welke vorm zou je willen terugkeren naar deze wereld? Of wil je net voorgoed van deze wereld verdwijnen? Waarom? Wat zou er op je grafzerk staan?

“Beloof mij dat je binnenkort, als alles achter de rug is, je de tijd neemt om te rusten. Ik maak mij zorgen als ik je zo hoor”, zei een vriendin toen ik haar vluchtig sprak. Ik weet het. Er hangt iets in de lucht en het waait maar niet over. Ik open mijn inbox en kruis mijn vingers, hopend dat er niet nog iemand is die iets van mij nodig heeft, die iets van mij verwacht, die mij wil spreken zonder naar mij te luisteren. Ik vraag mij af hoe het voelt wanneer mijn inbox leeg is, alle deadlines achter de rug zijn en ik niet constant aan de dood denk. Ik heb liefde, begrip en geduld voor iedereen, behalve mezelf. Ons leven is uniek, waardevol en prachtig en mijn brein is blijkbaar vastberaden om elk moment daarvan te verspillen door te piekeren. De samenleving zei dat ik gewoon mezelf moest zijn en toen ik dat eindelijk deed, was het plots van: “Nee, nee, niet zo.” Ik schreef daar, zoals jullie al weten, het afgelopen jaar een boek over dat binnenkort uitkomt: “Dik. Lelijk. Wijf.”. Begrijp mij niet verkeerd: het leven is een mirakel en ik ben dankbaar, maar dat addertje onder het gras waarbij we het moeten doorbrengen in een lichaam dat vervormt, uitzet, krimpt en aftakelt is toch net iets minder tof. Ik leef gewoon mijn leven terwijl ik wou dat ik een wolk was, of een bloem, in plaats van een persoon met een lichaam.

Nu ik dat allemaal verteld heb, wil ik alleen maar zeggen dat ik nog steeds hier ben. Een beetje overweldigd. Een beetje verdrietig. Een beetje gelukkig. Mijn kleine leven en mijn kleine wereld popelen nog steeds om te communiceren met de grotere levens en de grotere werelden die er zijn. Om te beginnen met mijn boek, maar vooral door heel veel te lezen, door te schrijven en te praten met mensen die mij een unieke, nieuwe kijk op het leven kunnen geven. Dat is het enige wat mij een beetje voeling geeft met mezelf en de wereld. En ik probeer om dat gevoel te bewaren voor wanneer het gevoel ontbreekt. Tot binnenkort.

Een zinvolle puinhoop

Cut your wrists and end this bullshit. Het is een anoniem bericht dat ik een jaar geleden kreeg via deze blog. Als ik mijn mannelijke vrienden vertel dat iemand me zo’n haatdragend bericht stuurde omdat ik over mezelf heb geschreven, schrikken ze meestal. De vrouwen reageren anders. Ze knikken begripvol. Ze rollen met de ogen. Ze zijn het gewoon. “Men often react to women’s words – speaking and writing – as if they were acts of violence; sometimes men react to women’s words with violence. So we lower our voices. Women whisper”, schreef Andrea Dworkin al in de jaren 1980. Ik wil mezelf niet kleiner maken of terugtrekken. Maar ik wil ook niet het mikpunt van blinde haat zijn. Dus we leren om over onze ervaringen te zwijgen. En ik wil niet zwijgen.

Mijn eerste boek is geschreven met veel zorg en het wordt nagelezen door een fantastische uitgever die met evenveel zorg die woorden benadert. Het is hard werken. Het is schrappen, herschikken en opnieuw beginnen. Ik wil heel hard werken aan een verhaal dat mensen aanspreekt, maar ik kan mijn perspectief niet zo hard verbuigen dat het afwijkt van wat ik denk of voel. Dan zou het niet meer mijn boek zijn. De teksten en boeken die mij het meeste geholpen hebben eindigen trauma niet met triomf. Ze zeggen niet: “Kijk eens hoe schoon ik overleef.” De teksten en boeken die mij het meeste geholpen hebben bestuderen wat het betekent om te leven, niet overleven. Een puinhoop is zinvol, je kan er zoveel vinden.

Een van de grootste voordelen aan schrijven over jezelf is dat het een duidelijk patroon geeft aan de wanorde in je hoofd. Maar mijn teksten zijn geen ‘emotionele porno’, een verwijt dat ik ooit kreeg van een ex. Mijn teksten zijn ook geen pathetisch zelfmedelijden, een ander anoniem verwijt aan mijn adres. Mijn teksten zijn gestructureerde chaos, mijn eigen poging om iets moois te maken. “Ik heb bewondering voor het openlijk uitvechten van het persoonlijke. Omdat je mooi schrijft lijkt het soms eenvoudig, maar zaken die eenvoudig lijken zijn vaak gecompliceerd en gevoelig. Het vergt moed. Daarmee help je me”, reageerde de lieve Lieneke Prins, die mij al lang volgt, op de Facebookpagina van deze blog. Ik moedig iedereen, vrouwen en mannen, aan die de moed heeft om een verhaal te delen dat heel echt en heel moeilijk is om over te praten. Vooral als ze weten dat er harde kritiek kan komen wanneer het gedeeld wordt. Je krijgt het meest krachtige materiaal als je schrijft in de richting van extremen. Wij vinden onze menselijkheid terug in onze moeilijkste momenten.

Ik ben gedreven door het verlangen om schoonheid en waarheid te geven aan mijn ervaringen, in de hoop dat iemand anders het ook zo zal zien. Ik schrijf in de richting van de pijn. Ik schrijf in de richting van schoonheid. Door dat te doen, voel ik mij beter, sterker. Voor de duidelijkheid: de al dan niet traumatische ervaringen van mensen zijn geen toegangsticketje tot een of andere geheime club van auteurs. Het verhaal is belangrijk, maar het moet ook geschreven worden. Dat gaat niet gemakkelijk of vanzelf. Ik heb er een hekel aan als iemand zegt dat het gemakkelijk is om over jezelf te schrijven. Neen. Dat is onzin. Jouw ervaringen maken je geen goede schrijver. Je harde werk maakt je een goede schrijver. “Write so blazingly good that you can’t be framed. Not like a girl. Not like a boy. Write like a motherfucker”, adviseert Cheryl Strayed. Een quote die boven mijn bureau hangt. Het eerste wat ik zie voor ik een document open. Schrijf het neer. Zo goed als je zelf kan. Doe het werk. En als iemand jouw werk in twijfel trekt, dan werk je nog harder. Write like a motherfucker.

 

Lijnen, punten en willekeurige verbindingen

De laatste tijd denk ik veel na over wat ik van mezelf achterlaat op papier, en of dat een goede beslissing is. Het maakt me onzeker. En ik ben nog nooit onzeker geweest over mijn vermogen om iets te verwoorden. Ik schrijf mezelf uit elke situatie. Dat is mijn oplossing voor alles. Dus toen de inkt stopte met vloeien, voelde ik mij een beetje in de steek gelaten door mezelf. Inspiratieloos is het woord niet. Ik heb ideeën. Ik zie ze voor mij: lijnen en punten die willekeurig verbinding met elkaar zoeken. Maar als ik ze krampachtig probeer vorm te geven, stort alles in elkaar als een wankele blokkentoren. Het spanningsveld tussen wat ik wil zeggen en wat ik niet gezegd krijg maakt mij ongeduldig. “Ik wil niet dat je achter je computer zot zit te worden!” waarschuwde mijn uitgever. Ze heeft gelijk. Ik wil alles meteen goed doen. Perfect. Ik ben gebrekkig en kan dat maar moeilijk aanvaarden.

Perhaps what is inexpressible – what I find mysterious and am not able to express – is the background against which whatever I could not express has its meaning”, schreef Wittgenstein. Het onuitspreekbare zit verborgen in alles wat al uitgesproken is. Ik denk vaak dat wat ik te zeggen heb nooit genoeg kan zijn. Mijn gedachten spreken een taal die ik niet op papier kan zetten. Maar als je veronderstelt dat het onuitspreekbare – dat wat je zelf moeilijk kan uitdrukken – verborgen zit in het uitgesproken, dan elimineer je in zekere zin de angst over het onvermogen om bepaalde dingen uit te drukken in woorden, de angst dat de echte betekenis de woorden zou ontgaan. Woorden volstaan. Zelfs als je iets niet kan benoemen.

Schrijven is dus nooit het probleem geweest. De structuur van mijn boek wringt echter nog. Ik wil dat alles vlot leest, dat het rustig kabbelt. Maar ik ben een spraakwaterval. Eens ik begin te praten over iets waar ik gepassioneerd over ben, stop ik niet en na een tijdje weet ik niet meer waar ik begonnen was of waar ik naartoe wou met mijn verhaal. Als ik te veel in mijn hoofd zit, moet ik er weer uit. Zo simpel is het. Ik wil reizen, maar dat is een luxe die ik me nu niet kan veroorloven. Dus ik doe dingen om mij af te leiden. Ik ga een blokje om lopen. Ik werk heel hard aan heel veel opdrachten tegelijk. Ik luister naar mijn favoriete playlist. Ik laat mij inspireren door onverschrokken vrouwen die hun talent delen met de wereld. Dat kan gaan over het nieuwe album van Beyoncé, een prachtig blogbericht of een vriendin die een leuke job krijgt. Ik lees en herlees het nieuwste artikel van Joan Didion, waarin ze zegt: “I am trying to place myself in history. I have been looking all my life for history and have yet to find it.” En ik denk: ik ook, Joan. In The Blind Assassin van Margaret Atwood lees ik: “If you get hungry enough, they say, you start eating your own heart.” Ik snap wat ze bedoelt. Echt. Tot binnenkort.

 

13153275_10153740693252736_550331820_n (1)

Illustratie: The Pencils Of Eline

Dit wou ik jullie nog vertellen

Soms denk ik dat we van bij onze geboorte al weten wie we willen zijn in dit leven, dat als we heel goed opletten en aandacht besteden aan de juiste dingen, we die informatie vroeg hebben. En dat we met die kennis ons leven uitstippelen naar een bepaald eindpunt. Af en toe schrappen we de lijnen omdat we tegen bepaalde marges opbotsen. Maar altijd hebben we dat eindpunt voor ogen. Het is gewoon een kwestie van tekenen en hertekenen. Dat ik wou schrijven, weet ik al heel lang. Dat ik mag schrijven, is een ander verhaal.

De knipperende cursor en ik vechten de laatste maanden een epische strijd uit. De inzet is groot. Ik wik en weeg woorden zorgvuldig. Dit moet juist zitten. Dit moet goed zijn. Ik neem geen genoegen met minder. Ik vermoei mezelf. Ik hoor in mijn hoofd hoe ik klink, weet hoe ik overkom en ik erger me aan mezelf. Ik wil trots en moedig en sterk zijn. Dat ben ik. Maar ik ben ook doodsbang. Dit wou ik jullie nog vertellen: ik schrijf een boek. Een boek over mij en mijn lichaam. Eind augustus brengt Borgerhoff & Lamberigts “Dik. Lelijk. Wijf.” uit. Geschreven door mij. Voor mij, maar vooral voor jullie. Het wordt een non-fictie boek waarin ik mijn ervaringen met bodyshaming bundel. In een aantal persoonlijke essays probeer ik de moeilijke relatie met zelfbeeld te plaatsen.

En ik ben doodsbang. Dat ik hierover zou schrijven, had ik nooit gedacht. Nooit. “There is nothing gutsier to me than a person announcing that their story is one that deserves to be told, especially if that person is a woman”, schreef Lena Dunham in haar boek. Het voelt goed om dit eindelijk met jullie te delen. Ik heb mij zo zenuwachtig, onzeker en alleen gevoeld de laatste tijd. Jezelf blootstellen, zelfs als je ervoor kiest, blijft heel erg moeilijk. De woorden jagen mij angst aan. Ik ben bang voor wat ik neerschrijf. Ik ben bang voor hoe het boek zal ontvangen worden. Ik ben bang dat niemand zit te wachten op dit boek. En ik ben tegelijk bang dat iedereen het zal lezen. Ik ben bang voor de haatdragende reacties die mij de vorige keer zo gekwetst hebben. Ik ben ook maar een mens. Maar dat zien ze niet. Ik ook niet. Dat is misschien het echte probleem.

Tussen alle rommel op mijn bureaublad staat er dus al een tijdje een blinkend icoontje met de titel manuscript_progress.docx. En dat is waarschijnlijk de beste omschrijving. Het boek is een proces dat jullie kunnen volgen. Ik heb al veel over mezelf geleerd tijdens het schrijven van dit boek. Ik denk dat ik dit boek nodig had om mezelf op de vingers te tikken. Om zachter, liever en milder te zijn voor het lichaam waar ik al te lang te hard voor ben. En het is genoeg geweest. Echt. Ik ben op. Daarover zal dit boek gaan. Tot binnenkort.

Het geluk van andere mensen

De laatste weken zijn ingewikkeld en tegelijk interessant geweest. Ik heb moeite om te wennen aan de nieuwe persoon die ik geworden ben: afgestudeerd, op zoek naar een job die bij mij past en aan het uitpluizen wie ik wil zijn, waar ik wil zijn en wie ik bij mij wil terwijl ik dat allemaal doe. Het leven. Ik heb het gevoel dat het perspectief op wie ik ben en wat ik doe momenteel zo snel verandert. Het is wankel, het kan nog alle kanten uit. Ik kan nog alle kanten uit. Ondertussen doe ik de dingen waarvan ik weet dat ze mij helpen. Ik probeer om op andere manieren te schrijven, nog meer boeken te lezen en meer te luisteren naar nieuwe muziek. Ik omring mij met mensen die zulke bakens van creativiteit zijn dat ze de wereld lichter maken, ook al is dat voor hen één van de moeilijkste dingen om te doen. Ik weet dat, want het is ook moeilijk voor mij. De wereld is geen natuurlijk lichte plek. We hebben een zon nodig.

Er zijn zaken die ik wil leren, mensen die ik wil ontmoeten of weer wil zien. Ik wil meer tijd doorbrengen met reizen. Er is iets rustgevends aan het feit dat ik op een plaats ben die verschilt van wat ik elke dag te zien krijg of kan zien. Je hebt plots de tijd om jezelf en je gedrag in een andere omgeving te bestuderen en je leert dingen over jezelf. Goede dingen. Slechte dingen. Maar echt reizen kan ik mij niet veroorloven nu. Voorlopig hou ik het dus bij wat ik kan: steden in België, lopen door de Vlaamse velden en de lucht opsnuiven. Ik ben nooit dol geweest op het platteland. Als kind verhuisden we van de drukke stad naar de boerenbuiten. En ik hou nog steeds vooral van grote steden, hou van de gestructureerde chaos en de anonimiteit die er heerst. Alsof ik weer niemand mag zijn.

Tegenwoordig moet je constant iemand zijn en dat ook aan iedereen bewijzen. Dat is een tweesnijdend zwaard. Ik heb altijd al de drang gehad om dingen te creëren en om die dingen daarna te delen met mensen. Ik blijf het meisje dat zelf haar tekening met een ananasvormige magneet aan de koelkast pinde. Maar soms ben ik wat terughoudend en heb ik mijn bedenkingen bij al dat delen. Niet omdat ik vrees dat iemand mijn woorden zal stelen of mijn idee zal oppikken om het zinvoller in te vullen – zaken die het afgelopen jaar gebeurd zijn en waarschijnlijk zullen blijven gebeuren – maar omdat het je als persoon heel zichtbaar en heel kwetsbaar maakt.

En de laatste tijd is er een gedachte in mijn hoofd gekiemd. Ik weet niet zeker of het een egoïstische gedachte is. Maar het schiet wortel, het vertakt: “Ik vind het oneerlijk dat ik zoveel van mezelf prijsgeef aan bepaalde mensen die dat niet verdienen. Ik vind het oneerlijk dat andere mensen zo weinig prijsgeven aan mij terwijl ik dat wel verdien.” De voorbije jaren heb ik vooral gegeven, gegeven, gegeven. Ook al bleef ik daarna met lege handen achter, alleen. Ik neem nooit terug. Ik moet meer voor mezelf opkomen. Ik moet stoppen met mezelf tekort te doen. Er zijn zoveel manieren waarop we proberen om redenen te vinden waarom we als mens niet genoeg zijn, ontoereikend, niet in staat om iets te doen. Ik wil altijd beter zijn. Dat is deels een goede impuls natuurlijk: het is leren. Het is nieuwe dingen proberen en praten met andere mensen. Het is alleen de beste versie van jezelf toelaten om voor jou te handelen. En het is groeien.

Maar het is deels ook gevaarlijk, besef ik. We vergeten hoeveel we onszelf onder druk zetten om altijd maar te evolueren. Wij veroordelen onszelf als we niet snel genoeg vooruitgaan. Als we niet even snel even slim zijn als anderen. Niet even snel even succesvol. Niet even gemakkelijk even gelukkig. Ik veroordeel mezelf. Ik straf mezelf. Ik leg de lat onmetelijk hoog. En hoewel ik weet dat het me motiveert, kan het mij soms ook verlammen. Vergelijking is destructief. In mijn hoofd leef ik honderd levens die ik nu nog niet leef: mijn dromen en mijn ambities, de dromen en de ambities van anderen. Ik voer altijd competitie met het leven dat ik heb en het leven dat ik wil, het leven dat ik heb en het leven van anderen. Op den duur blijft er geen tijd meer over om gewoon te leven.

Onlangs las ik in het wondermooie rouwboek H is for Hawk van Helen Macdonald dit zinnetje: “We carry the lives we’ve imagined as we carry the lives we have, and sometimes a reckoning comes of all the lives we have lost.” Ik besef hoe ik mezelf vermoei door altijd zoveel verwachtingen mee te dragen over hoe mijn leven en mijn wereld er zou moeten uitzien. Ik besef hoe ik mezelf zo alleen maar tegenwerk.  Ik moet van mezelf vanaf nu eerst 10 stappen terugnemen voordat ik weer vooruit mag gaan. Ik moet aan mezelf vertellen: “Het succes van andere mensen is niet mijn falen. Het geluk van andere mensen is niet mijn verdriet. De wijsheid van andere mensen is niet mijn onwetendheid.” Ik herhaal het tot ik het zelf geloof. Het is niet omdat je niet staat waar anderen staan dat jij nergens staat. Je kan nog alle kanten uit. En misschien is heel even buiten de lijntjes kleuren het begin van een meesterwerk.

Toen Bowie leefde

Something happened on the day he died. Maandagochtend, heel vroeg. Ik tast in het duister naar mijn telefoon en laat de wereld binnen aan de hand van duimvegen, filters en hashtags. Slechts één naam wordt herhaald: honderd keer, duizend keer, miljoenen keren. Oneindig. Het is bijna een gebed, doorspekt van superlatieven. Een smeekbede eerder, besef ik snel. De wereld uit koppig het ongeloof zoals dat alleen gebeurt bij de mensen waar je zielsveel van houdt: ‘Dit kan niet waar zijn. Neen.’ De vreemdste vogel is gaan vliegen, just like that bluebird.

Verbazen mag het eigenlijk niet. Uiteindelijk stopt het allemaal. En verbazen doet het toch. Het kwam nooit bij mij op dat Bowie zomaar zou sterven zoals andere mensen dat zomaar doen. De dood lijkt gruwelijk alledaags wanneer het over helden gaat. Het is een gevoel dat ik met veel mensen deel, heb ik gemerkt: de indruk dat Bowie onsterfelijk was. Dat het zo wel moest zijn. Dat het haast niet anders kon. Meer dan mens leek Bowie buitenaards onwerkelijk, en daarom vast en zeker gespaard van zoiets triviaal als aftakeling of sterven. Kanker dan nog, kom op zeg. Belachelijk banaal in vergelijking met wie hij was.

Natuurlijk, niemand krijgt een vrijpas van het universum. Ook helden niet. Die realiteit leek Bowie zelf al aanvaard te hebben. Zo getuigt de plaat die vorige week verscheen. Bij Bowie was het leven een voorstelling, eentje waarvoor iedereen op de eerste rij wou zitten. En nu, op het einde, kregen we ongemerkt allemaal dat begeerde plekje. Een muzikaal testament op zijn laatste verjaardag. Die finale snik klonk nooit zo schoon, zo complexloos en zo puur. Achteraf gemakkelijk. Ik wou dat ik dat over alles kon zeggen. Een trieste glimlacht krult om onze lippen omdat hij ons alweer in de luren heeft gelegd. Hoe hij ons daar aan die eindmeet nog zo verrassen kon, hoe hij ons nog zo stevig bij het nekvel kon grissen – het getuigt van zijn erfenis. Met een meesterlijk album wordt zelfs de dood een kunstwerk, net als hoe hij het met alles deed: de goddelijke show die zijn leven was, tot het doek valt.

Bowie eiste de aandacht op zonder zichzelf ooit toe te laten om op zijn lauweren te rusten, de eerste die de roem volledig ontrafeld had en ons daarover vertelde. Ver zijn tijd voor, zeggen ze. Maar Bowie was geen toekomstvoorspeller, hij zette de tijd zelf naar zijn hand. Hij was de fragmentarische maatschappij-Messias die lang voor ons al de pijnpunten inkleurde, alles in de vorm van een prachtige popcultuurrevolutie die wel degelijk uitgezonden werd op televisie. Hij gaf ons het antwoord voor de vraag werd gesteld. Je moest gewoon goed opletten. Helaas is dat iets waar wij, immer koppig ras, nooit zo goed in zijn geweest. Toch deed Bowie nooit water bij de wijn, hij voerde ons simpelweg dronken. Lazarus.

Van Ziggy Stardust tot de Thin White Duke, van filmster tot zanger, van junkie tot fashionicoon, van gender bender tot altijd artiest. Bowie leerde ons meer dan wat ook dat de mens maakbaar is. Hij suste dat anders zijn een meerwaarde is, geen gebrek. Hij schonk ons maskers alsof het kronen waren en toonde daarmee dat wie we zijn of waar we vandaan komen helemaal geen vaststaand gegeven hoeft te zijn. Persoonlijkheid wankelt tot er een nieuwe versie verschijnt. Geen slechtere of noodzakelijk betere versie, alleen anders deze keer.

Ik hoor de mensen zeggen: ‘Ik ben er echt kapot van.’ Begrijpelijk. Zoveel buitenbeentjes hebben dankzij Bowie hun eigen weg gevonden, aangemoedigd door zijn constante innovatie. Hij, de patroonheilige van de misfits. Zonder Bowie zou de wereld er anders uitzien. Er zouden gaten zijn die niemand nog zou kunnen opvullen. Want sommigen zouden met alles gestopt zijn zonder Bowie die hen aanspoorde: ‘Het is niet te laat. Kijk, zo kan het ook. Of zo. Je kan nog zoveel zijn.

Bowie bewees dat het een kunst is, geen schande, om te veranderen. Van mening. Van interesse. Van persoonlijkheid. Van geslacht. Van stijl. Je kan alles aan jezelf heruitvinden, net zoals Bowie alles aan zichzelf steeds opnieuw uitvond. Identiteit is grenzeloos, misschien zelfs oneindig. Dat is wat ik meeneem van Bowie: dat je als mens nooit een netjes afgerond geheel bent, maar een vorm die kan transformeren of juist scherp uit de hoek kan komen indien nodig.

Tijdens die eerste dag zonder hem lees ik troost online. Ik stuur berichten. Ik bel mensen op. Ik staar voor mij uit en ik ga weer verder. Het is collectieve rouw in honderdveertig tekens of meer. Daar kan je cynisch over doen. Mij maakt het niet uit. Ik zie het zo: Bowie bracht ons samen, nog maar een keer. En ik hou van alles wat ons een beetje meer verbindt. Met elkaar of met onszelf. Dus ja, ik lees troost online. Dit is wat ik daar vind, een gedachte van Dean Podestá: onze wereld is miljarden jaren oud, het universum nog veel ouder dan dat – en wij leefden toen Bowie leefde. De rebel die de wereld zag voor wat het was, het vervolgens opnieuw verpakte en afleverde.

Een uitgedoofde en gitzwarte ster schittert boven ons, wachtend in de ruimte. Daar is Bowie, eindelijk verenigd met de kosmos die hij zo schoon kon bezingen. Onze alien: altijd nieuwsgiering, altijd vreemd en nooit echt op zijn plaats hier bij ons. De originele Starman. Bedankt, Bowie. Honderd keer, duizend keer, miljoenen keren. En zoals jij het deed, zo volgen wij hopelijk jouw voorbeeld: blijven veranderen, blijven innoveren en blijven creëren. Maskers dragen als kronen, ons leven tentoonstellen, iets wat aandacht opeist en ook verdient. Want de dood is onvermijdelijk. Maar het hoeft geen tragedie te zijn wanneer het leven zo mooi ervaren werd. En verdorie, het was zo mooi toen Bowie leefde. The stars look very different today.

Het leven is een meervoud

“In my way of thinking, anything is possible. Life is at the bottom of things and belief at the top, while the creative impulse, dwelling in the center, informs all.” – Patti Smith, M Train

‘Bijna.’ Zo antwoordde ik toen een vriend van vroeger – teruggevonden als een sleutelbos die ik verstrooid had – mij onlangs vroeg of ik intussen gelukkig ben. Ik antwoordde eerlijk, want ik had geen enkele reden om tegen hem liegen. Dit is iemand die ik heel goed ken, ondanks alles. Het zit zo: ik verlies geen mensen; ze vervreemden vriendelijk en ik draag ze een warm hart toe zelfs als ik ondertussen de kleur van hun ogen vergeten ben of mij de manier waarop ze schaterlachten tijdens dronken dinsdagnachten op kleverige dansvloeren niet meer herinner. ‘Bijna’, zei ik dus. Bijna ben ik gelukkig. De waarheid is dat ik mij onherroepelijk ouder voel en ik iedereen plots mis nu alles zo snel en drastisch verandert. Alle feestjes van morgen zijn die van gisteren geworden. Jonge mensen willen nooit horen dat ze jong zijn, dat hun hele leven voor hun ligt. Maar ik ben nog jong. Ik ben nog jong genoeg om de mogelijkheden te zien: de kans dat er achter elke hoek een uitdaging lonkt, een persoon die ik kan ontmoeten of de optie dat ik iets nieuw leer kennen waarvan ik het bestaan nooit vermoedde. De mogelijkheid op eerste keren ook, die ik intussen zuinig spaar en daarom net intenser ervaar.

Op de eerste dag van het jaar heb ik niets gedaan. Ik kon voornemens maken en ze alweer een jaar uitstellen, omdat ik de jaren nog heb. Ik kon in mijn sneakers schuiven, een jas over mijn schouders slaan en buiten toevallig op iemand botsen die mijn hele leven overhoop haalt of juist hoopvol herschikt. Maar ik aaide mijn champagnekater met woorden: een ontluisterend boek genesteld in mijn schoot, de hoeken in afwezige ezelsoren gekruld en de beduimelde bladzijden vuilwit. Buiten was het klaar en werd het donker zonder dat ik het opmerkte. De nacht ervoor schoof een grijze wolk voorbij de maan net toen ik naar de hemel opkeek. ‘Ha’, uitte ik omdat ik meteen de metafoor begreep. Ik ben niet uitgegaan om het einde van het jaar te vieren. Ik bleef thuis, omringd door de mensen die ik graag zie en met kriskras straatvuurwerk klokslag middernacht. Ik hou van vuurwerk, ook al begrijp ik het niet echt. Het is gevaarlijk, maar wel mooi. Je kijkt op naar de inktzwarte nachthemel en plots doorklieven felgekleurde lichten de duisternis. Alles is een paar seconden lang heel helder. De kleurtjes ritsen druk heen en weer, alsof een onzichtbare hand verwoed probeert om de wereld in te kleuren. Ik opende mijn ogen zo wijd mogelijk en probeerde het hele universum boven mij te absorberen. Ik wil het me later zeker voor de geest kunnen halen, als het terug donker wordt.

En donker wordt het altijd wel eens. Het voorbije jaar was het jaar van mezelf onderschatten, het jaar van vervolgens ook verbaasd te zijn dat ik wel degelijk meer in mijn mars heb. Ik heb uitgereikte handen dankbaar aangenomen en ik heb mij door hen laten begeleiden, waardoor ik zoveel heb geleerd over mezelf en over wat ik wil. De voorbije maanden zijn heel cruciaal geweest: ik ben afgestudeerd en moet op zoek naar een job. Ik ben benieuwd naar wat ik ga doen. Ik heb, weet ik intussen, de neiging om mezelf en mijn omgeving te verrassen. Ik hoop dat ik dat blijf doen.

Het voorbije jaar was ook het jaar van ongeloof. Waar zijn we toch allemaal mee bezig? En waarom laten we het toe? Dat zijn twee vragen die ik mij vaak stelde terwijl ik met schotelbordogen toekeek hoe de mensen elkaar het licht niet gunden. Op de een of andere manier zijn we op een punt gekomen waarop we niet meer mogen groeien. Nee, we moeten meteen groot zijn. We moeten reuzen zijn. En bij gebrek aan letterlijk beter weten, boren bepaalde mensen anderen de grond in. Na verloop van tijd word je zo onzeker over je eigen kennis en kunnen dat je niets meer doet. Je wordt zo bang voor je eigen stem dat je liever zwijgt. Dat ik soms zwijg. Ik vul volledige gesprekken met mijn stilte.

Mijn belangrijkste doel is om volgend jaar meer begrip te tonen, voor mezelf en voor anderen. Het is mijn overtuiging dat niemand echt weet waarmee ze bezig zijn. Niemand weet precies waarom ze iets doen of zeggen, als ze iets doen of zeggen. Niemand weet zeker of ze iets goed doen en, erger nog, of ze iets slecht doen. We proberen allemaal maar, schieten soms raak en soms mis. Wanneer zijn we dat vergeten? In haar boek Feminism is for Everybody pent Bell Hooks dat er sprake zou moeten zijn van evenveel versies van het feminisme als er vrouwen zijn. Daar kan ik mij in vinden. Ik geloof dat we moeten proberen om naar de wereld te kijken op net zoveel manieren als er mensen zijn. Een te beperkt wereldbeeld maakt het uitdagen van ongelijkheid namelijk onmogelijk. Omdat je simpelweg niet in staat bent te accepteren dat het leven op meerdere manier ervaren kan worden. Het leven is een meervoud.

Dat is wat ik in gedachten wil houden bij alles wat ik het komende jaar doe, wat dat ook zal zijn. Ik wil een beetje minder met mezelf bezig zijn en een beetje meer anderen toelaten. Omdat ik heb gezien dat ik daar zelf een beter mens van word en omdat ik nu meer dan ooit geloof dat de dingen die we met elkaar delen het meest waardevol zijn. Ik geloof dat we zoveel van elkaar kunnen leren en dat het, als je dat toelaat, daarom dus niet erg is om klein te zijn. Wij maken elkaar groter, als we dat echt willen. Als we ons best doen. Als we proberen. We kunnen pas het verschil maken als we de verschillen in elkaar omarmen. Ik wil dit jaar met mensen praten die het leven anders ervaren, mij informeren en veel blijven lezen en schrijven. Ik wil bedachtzaam begrijpen en ik wil niet meer zwijgen, maar vertellen. Over alles. Over iedereen. Aan jullie, lieve lezers van deze blog. En aan alle mensen die het graag wil lezen. Dit is wat ik eigenlijk probeer te zeggen: ik wil het vuurwerk zijn. Ik wil de onzichtbare hand zijn die de duisternis even inkleurt. Ik hou van het leven, ook al begrijp ik het niet echt. Het is gevaarlijk, maar wel mooi. Zo mooi. En dus wil ik gelukkig zijn. Niet bijna deze keer. Helemaal. Tot binnenkort.