Het onbewaakte moment

Twintig jaar geleden verdwenen twee meisjes. Twintig jaar geleden werd alles plots onveilig. Er komen regeltjes. We mogen niet meer met vreemden spreken, alleen op pad is verboden, witte bestelwagens zijn altijd verdacht, en zeker voor het donker thuis. Twintig jaar geleden was ik zelf nog een kind: vijf jaar, mij van geen kwaad bewust. De boze wolf was toen nog gewoon een wolf, geen mens van vlees en bloed met slechte bedoelingen.

Ik werd ouder. En ik speelde nog altijd buiten. De beelden op televisie waren vaag, maar ze waren er wel: twee meisjes, nog meer meisjes, een verborgen kruipkamertje achter een kast. Mijn ouders die huilden voor het televisiescherm toen hun kleine lijfjes uit het huis werden gehaald. Ze rilden. Mijn ouders ook. De mensen spuwden hun helderwit gal. Een nooit geziene massa golfde traag door de hoofdstad. Ingetogen woede die alles veranderde. Omdat het moest. Omdat het nodig was. Omdat we daar veel te lang niet bij stil hadden gestaan. Omdat twintig jaar geleden twee meisjes zomaar konden verdwijnen. En omdat we ze niet vonden. Niet op tijd.

Ik was nog een kind toen. Het zijn allemaal heel troebele herinneringen. Het is een verhaal dat tijdens mijn jeugd altijd op de achtergrond verteld werd, een verhaal waar niemand lang en gelukkig leefde op het einde. Ik hoorde het in flarden – ‘Het is toch zo verschrikkelijk’ – en ging dan verder spelen. Ik snapte niet goed hoe erg het was, en waarom. Ik had een vriendinnetje dat als de dood was voor hem, de boze wolf van vlees en bloed. Toen hij even ontsnapte zag ze hem achter elke vreemd vervormde boom en elke scherpe straathoek. Ik vond het grappig, ik joeg haar graag de stuipen op het lijf: “Pas op, daar is hij, op vrije voeten!”

De kranten brachten uiteindelijk het verlossende nieuws: de boswachter had hem kunnen strikken, de wolf zat weer achter slot en grendel. En we lachten eens omdat mijn vriendinnetje zo’n ongelooflijk schijtluis was. Ik begreep het niet. Niet echt. Ik was nog een kind toen. Ik wist alleen dit: niet met vreemden praten, alleen op stap is verboden, witte bestelwagens zijn verdacht, en voor het donker thuis.

“Kinderen hebben geen denkbeeldige vriendjes meer. Kinderen hebben tablets.” Dat merkte ik onlangs grappend  op tijdens een gesprek met een vriendin. Soms zie ik jonge kinderen en heb ik medelijden omdat ze zo verschrikkelijk beschermd/afgeschermd worden, zo nauwlettend in de gaten gehouden. Bouwen ze nog boomhutten? Klimmen ze nog over verboden hekken? Rolschaatsen ze nog onbezorgd naar de speeltuin? Lopen ze nog doelloos door de straten met als enige regel ‘voor het avondeten thuis’? Ik hoop het, maar ik ben het niet zeker. In haar essay ‘The Overprotected Kid’ schrijft Hanna Rosin het volgende over haar dochter: “Toen mijn dochtertje tien jaar oud was, realiseerde mijn man zich dat ze in haar hele leven waarschijnlijk niet meer dan tien minuten zonder toezicht heeft doorgebracht.” Niet meer dan tien minuten. In tien jaar tijd.

Onlangs stond ik in de rij van het postkantoor. Achter mij hengelde een jongen aan de hand van zijn moeder, duidelijk verveeld. De blokkenhoek bleef onaangeroerd. Ik trok een gek gezicht naar het jongetje, om hem op te vrolijken. En omdat ik mij ook verveelde, want ik ben te oud voor de blokkenhoek. De moeder bekeek mij beschuldigend, alsof ik haar zoontje net had aangevallen met een mes. Ik kan het haar achteraf gezien amper kwalijk nemen. De paranoia heeft mij ook te grazen. Toen ik leiding gaf in de jeugdbeweging, was ik zelf als de dood dat ik één van de kinderen zou verliezen. Gewoon: poef! Weg! Ik zag het als iets dat letterlijk elk moment kon gebeuren. Hoe zou ik dat in godsnaam kunnen uitleggen aan de ouders? Ik was op mijn hoede. We zijn allemaal op ons hoede. Als je denkt aan alles wat er kan gebeuren, op hoeveel manier zo’n ukje aan z’n einde kan komen, is het bijna een wonder dat we nog gezinsuitbreiding nastreven. Het is gek dat we anno 2015 niet gewoon mensen klonen van een jaar of twintig, mensen die nooit meer moeten opgroeien in een onveilige wereld waar de wolven loeren.

Het is tegenwoordig een plicht om elke minuut van de dag exact te weten waar kinderen zijn, bij wie en hoe lang, wanneer ze zich verplaatsen, op welke manier, en met wie. We sturen onze kinderen de wereld in zoals we soldaten naar het front voeren: met een bang hart, en met wel honderd worstcasescenario’s in gedachten. We zijn op alles voorzien, behalve het onbewaakte moment. Want dat is wanneer de erge dingen gebeuren, de dingen die we al die tijd vreesden. Het onbewaakte moment. Dat is wanneer kinderen ontvoerd worden, stikken op een stukje ijzerdraad, zich prikken aan een verdwaalde junkienaald, omver gereden worden,… En dan komt er steevast de vraag: “Waar waren de ouders?” En: “Waar was de leerkracht?” Wie was er op het kind aan het letten toen alles fout liep? Wie moest er voor dat kind zorgen? Waar waren we? Waar waren we? Waar in godsnaam waren we?

Het antwoord is: hier, we zijn altijd hier. Speelgoed heeft strikte gebruiksvoorwaarden. Pretparken meten de lengte van kinderen. Wie onder het lijntje krimpt, komt er gewoonweg niet in. Films hebben een leeftijdscategorie. Rond de speeltuin houden vijftien verveelde vaders de wacht. Overal een hekje rond, mooi afgebakend. Achtjarige kinderen krijgen een smartphone zodat ze altijd bereikbaar zijn, zodat er nooit een onbewaakt moment komt. En begrijp me niet verkeerd, dat is uiteraard positief. Hoera met een hoedje op het hoofd! We mogen kinderen niet zomaar hun ongeluk laten inwandelen. Ik zal zeker niet zeggen dat kinderen geen nood hebben aan supervisie. Maar is de wereld echt zoveel gevaarlijker geworden voor kinderen dan toen ik zelf nog een kind was? Dat vraag ik me soms af.

Ik had ook mijn regeltjes: niet met vreemden spreken, niet alleen op pad, witte bestelwagens zijn verdacht, en voor het donker thuis. Een kind opvoeden is een beetje zoals Russische roulette spelen. Waren mijn ouders dan geen goede ouders omdat ik zonder hen toch buiten mocht spelen?  De boze wolf is er altijd al geweest, maar we vrezen hem nu collectief. Het is een angstcultuur die de veiligheidsobsessie in de hand werkt en die ervoor zorgt dat je een slechte, slechte ouder bent omdat je peuter bijvoorbeeld zijn knie schaaft aan het asfalt omdat je eventjes niet keek en hij gevallen is. Schaam op jou!

Wel, laat mij eens iets vertellen over vallen. Ik ben zeven jaar oud en ik kom lelijk ten val vlak voor de automatische schuifdeuren van de supermarkt. Het is een moment dat ik mij nog heel levendig voor de geest kan halen: met mijn gezicht tegen de koude witgrijs gespikkelde tegels. Het doet zoveel pijn, dat weet ik nog, en mijn kin bloedt een beetje, dat overdrijf ik misschien. Maar het doet dus pijn. Koppig kind als ik ben, besluit ik dat ik nooit meer zal vallen. Een eenzijdige deal met het universum. Nooit meer. En toen ik 23 was, viel ik in het Citadelpark in Gent, vlak voor de enge tunnels. Helemaal van mijn melk, bel ik naar mijn vader die op dat moment aan het werken is, enkel en alleen om het hem te zeggen: “Ik ben gevallen.” Zo verbaasd dat het na al die tijd nog kan gebeuren.

Vallen is belangrijk. Als kind moet je leren vallen, en leren dat je ook weer op kan staan. Veiligheidsonderzoeker Dr. Joe Frost zegt het als volgt: “In de echte wereld, zit het leven vol risico’s – zowel financieel als fysiek, emotioneel en sociaal – en redelijke risico’s zijn essentieel voor de gezonde ontwikkeling van een kind.” Je waagt de sprong, je valt en je staat weer op. Vlak voor je springt, weet je dat je kan vallen. Je mag zelf de knoop doorhakken, zonder een helikopterouder die over je hoofd zoemt als een vervelende mug. Een redelijk risico dus.

Maar we vinden geen enkel risico nog redelijk of aanvaardbaar. Tien minuten in tien jaar tijd zonder (ouderlijk) toezicht, dat is te weinig om zelf te leren dat je kan vallen en weer opstaan. Dat is te weinig om op te groeien. Maar dat is ook de norm, zo lijkt het. En het resultaat is dat kinderen al op een heel jonge leeftijd leren om bang te zijn. Twintig jaar geleden verdwenen twee meisjes. En het was verschrikkelijk. En het zou niet mogen gebeurd zijn. En ik ril mee als ik de beelden opnieuw zie. Want nu begrijp ik het, hoe erg het was, en waarom.

Twintig jaar geleden was ik ook nog maar vijf jaar oud. Op het nieuws zag ik flarden: twee meisjes, nog meer meisjes, een verborgen kruipkamertje achter een kast. En de boze wolf die voor het eerst zijn tanden toonde, zonder dat ik toen echt besefte hoe erg het allemaal was. Het is niet het enige verhaal, jammer genoeg niet. Ik herinner me een pak gebeurtenissen die mij om het hart sloegen: de bende richtte een bloedbad aan in de winkels, de prinses werd achternagezeten en verongelukte in de tunnel, twee vliegtuigen boorden zich door twee torens, de troepen trokken door de woestijn, een vloedgolf spoelde mensenlevens weg, mensen werden gemarteld en overal was er wel een God die het hen allemaal influisterde.

En dan waren er die twee meisjes, twintig jaar geleden. En de andere meisjes die volgden. De meisjes die ik nooit zal vergeten. Het was zeker niet het definiërende verhaal van mijn jeugd. Maar het is het verhaal dat er sindsdien altijd was, ergens op de achtergrond. Ik was geen angstig kind, maar ik ben een angstige volwassene. Ik ben niet de enige. Ik ben op mijn hoede, ik ben waakzaam, ik bedenk op voorhand het worstcasescenario. Ik praat niet met vreemden, ik ga niet alleen op pad, ik vertrouw nog steeds geen witte bestelwagentjes, en ik probeer – als dat lukt – om voor het donker thuis te zijn. Ik doe er alles aan om niet te vallen. En als ik val, dan denk ik: waar zijn ze? waar zijn ze? waar in godsnaam zijn ze?

Hier. We zijn altijd hier. En misschien is dat wel het probleem.

Advertenties

14 thoughts on “Het onbewaakte moment

  1. Er is absoluut veel veranderd door de boze wolf, daar heb je overgroot gelijk in.Kinderen loslaten is moeilijk, en na deze gebeurtenissen werd het allemaal nog wat moeilijker. De zorgeloze jeugd die ik had, heeft de generatie nadien niet meer gekend. Mooi geschreven iig. Lang geleden dat ik nog iets van je las trouwens (helemaal niets beschuldigend, gewoon fijn dat ik nog eens iets kan lezen)

  2. Mooi geschreven. Als ouder is het altijd dansen op het slappe koord en een evenwicht zoeken tussen zorgen en loslaten. En soms vraag ik me ook af waarom mensen nog aan kinderen beginnen: de constante bezorgdheid, die nooit over gaat. Zelfs niet als ze 18+ zijn.

  3. Waarschijnlijk zijn wij de generatie die er het meeste last van heeft gehad. Mijn kinderen en de kinderen rond mij zie ik nu wel weer veel buiten spelen en alleen naar de bakker gaan. Ik hoop dat het zo mag blijven. Deze ochtend toen ze in het radionieuws spraken over “20 jaar geleden verdwenen” heb ik voor hun kinderoren de radio meteen uitgedraaid.

  4. Ik was 11, toen met de witte bestelwagen. Niet veel ouder dan Julie en Melissa. Ik herinner me ook niet veel, wel: mijn mama die me de humo laat zien waar heel groot Dutroux zijn hoofd op staat en daarbij “als je hém tegen komt moet je héél hard gaan lopen”. En ook zijn ontsnapping en dat we niet buiten mochten. Maar verder mochten wij gelukkig altijd buiten spelen zonder veel controle (op tijd thuis zijn voor het eten en ook de zondag was een beetje heilig, dan mochten we niet zomaar aanbellen bij de buren). Waar waar waar is de tijd :-). Goed geschreven! Doe dat maar wat vaker nu.

  5. Dankjewel voor de mooie eerlijke post.
    “Moeten we dit weer oprakelen?” was mijn eerste gedachte toen ik hoorde op het nieuws dat het 20 jaar geleden was…..
    Is dit nuttig? Heeft iemand hier wat aan? Wat met de ouders? Weer die beelden, de foto’s, de rillingen….
    Ik had dezelfde reflex als Ellen hierboven beschrijft. Radio uit voor de kinderoren.
    Mensen die de periode 20 jaar geleden bewust hebben meegemaakt, gaan dit heus niet vergeten.
    Het is gebeurd, het was vreselijk, maar moeten we nu nog een generatie bang maken?

    1. We mogen het zeker niet vergeten, inderdaad, maar het blijft een pijnlijk onderwerp. Zelfs na twintig jaar. Ik wou de gebeurtenissen dus zeker niet minimaliseren in mijn tekst. Want het was verschrikkelijk. De angstcultuur daarentegen… Ik ben zelf geen moeder, dus ik weet niet hoe ik zou reageren. Een maliënkolder misschien, wie weet. 😉 (dat was een mopje, voor de duidelijkheid)

  6. Een week nadat An en Eefje werden ontvoerd op de kustweg, liepen mijn vriendin en ik daar ook. We liftten, ’s avonds heel laat, onderweg van Oostende naar Oostduinkerke. We waren 17 en 18, dezelfde leeftijd. Als we daar een week eerder hadden gelopen, zouden wij ontvoerd zijn, en niet An en Eefje. Dat heeft me enorm geschokt, toen alles uitkwam. In de plaats daarvan werden we opgepikt door een sympathieke jongeman die met ons nog een pintje is gaan drinken, die bij ons in de tent overnacht heeft en die de volgende morgen gewoon is vertrokken (zonder ook maar iets onzedelijks te proberen).
    Nu ben ik twintig jaar ouder, en heb ik twee kleuters. De wereld is veranderd ja, door Dutroux. Maar ik kies ervoor – héél bewust – om geen bange ouder te zijn. Uiteraard houd ik mijn kinderen in de gaten, ze zijn nog maar vijf en drie jaar oud. Uiteraard laat ik hen niet alleen op straat spelen, daar zijn ze nog te jong voor. Maar als ze oud genoeg zijn: ja hoor, waarom niet? De waarheid is dat het nog nooit zo veilig was om een kind te zijn als nu. Het is gewoon niet waar, dat er achter elke hoek een pedofiel of een verkrachter schuilt. Ja, er worden kinderen ontvoerd af en toe. Ja, er worden meisjes en vrouwen verkracht, meer dan we zouden willen. Maar ik vind dat geen reden om mijn kinderen hun vrijheid te ontzeggen. Want angstige kinderen worden angstige volwassenen. Ik vertel mijn kinderen niet dat ze niet met vreemden mogen praten en dat ze hard gillend moeten weglopen ofzo. Ik vertel hen wél dat als ze mij kwijt zijn, ze hulp moeten vragen aan een mama of papa met kindjes, of aan iemand in een uniform. Niet elke vreemde is een boeman. Net hetzelfde: ik leer hen voorzichtig zijn in het verkeer, maar ik leer hen ook déél te nemen aan dat verkeer. Ja, ze kunnen overreden worden, maar ze moeten het toch leren, dus dan kan ik er maar beter vroeg genoeg mee beginnen. Het is mijn taak als ouder om verantwoordelijke en levenswijze kinderen te kweken, niet om mijn kinderen bang te maken met alles wat er zou kúnnen gebeuren. En die worstcasescenario’s? Mja, uiteraard komen die af en toe mijn hoofd binnen, maar ik wijs ze even snel weer de deur.
    In Amerika is de angst nog véél groter dan hier. Ik ben blij dat ik daar niet woon. Maar daar is ook een beweging ontstaan waar ik volledig achtersta: Free Range Kids (http://www.freerangekids.com/). Je moet maar eens de horrorverhalen daarop lezen, van ouders die aangeklaagd worden omdat ze hun kinderen alleen naar het speelpleintje laten lopen, of omdat ze hun kleuter vijf minuutjes alleen laten in de auto. Ze zijn gek, daar in Amerika. Gelukkig is het hier zo erg niet. Nog niet. Ik hóóp dat het nooit zo ver komt, maar we zijn wel al op de goede (slechte) weg. Niet verwonderlijk ook, met die boeman van twintig jaar geleden die nog springlevend in ons collectieve geheugen genesteld zit. Maar daarom net heeft elk van ons de taak – de morele verplichting – om ons leven niet te laten overheersen door angst. Om al onze angsten in vraag te blijven stellen. Om voor elke twijfel eens diep te gaan nadenken of het eigenlijk wel écht een probleem is, of we ons gewoon door angst laten leiden. Want angst is een slechte raadgever. De slechtste. En we doen onze kinderen géén cadeau als we hen leren voor alles bang te zijn en altijd uit te gaan van het slechtst denkbare scenario…

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s