Pleidooi voor een trage zomer

Hot summer streets
And the pavements are burning
I sit around
Trying to smile
But the air is so heavy and dry

 – Cruel Summer, Bananarama

Zoveel mensen zijn geïnteresseerd in antwoorden, terwijl ik alleen maar vragen stel. Steeds opnieuw, het hele jaar door: “Waarom?” Soms voelt het alsof alles en iedereen even genoeg heeft van mijn gezeur, mij naar de hoek wijst en afgemeten snauwt: “Omdat ik het zeg.” In de zomer sluimert de onrust altijd een beetje. Alles is lomer, trager en feller verlicht, waardoor je de wereld net een beetje helderder kan beschouwen. De schaduw is niet meer beangstigend, maar net een plek waar ik dankbaar schuil. Misschien ben ik zo gevoelig voor het licht omdat ik me zo lang in het duister hulde. Misschien heb ik gewoon een sterkere factor zonnecrème nodig, een beschermend laagje tussen mij en de wereld.

Hoe hoger de temperaturen klimmen, hoe trager en zwaarder mijn hart klopt. Ik adem de hete lucht in en alles vanbinnen brandt. Ik brand. De vlammen likken en ik laat het toe, ik schreeuw niet om hulp. Want ik heb geen hulp nodig. Ik weet precies wat er gebeurt en waar ik ben. In de zomer sta ik stil en maak ik me minder druk over vragen of antwoorden. Ik kijk door het open raam en zie de fel verlichte wereld. Ik nip van dure drankjes, ik luister naar de muziek, ik voel het gras tussen mijn vingers en ik lach op achterbanken, steeds kijkend naar de mensen. Ze lachen terug. En ik denk: Waren we altijd zo gelukkig? Zullen we altijd zo gelukkig blijven?

Er is geen reis gepland deze zomer. Sommige mensen begrijpen het niet. Ze kijken er een heel jaar naar uit. Ze checken zich in bij grote hotelketens, ze posten foto’s van het pootjebaden. Zelfs in ons verlof strijden we tegen elkaar: de mooiste cocktail, de kleurrijkste strandhanddoek, de meest originele bestemming. “En ga jij nog op congé?” vragen ze gretig, een open deur naar een parelwit strand. Ik haal mijn schouders op: “Ik had wel wat dingen in gedachten, maar nee…” Mijn stem sterft weg, verdampt in de hitte, en ik lach verontschuldigend.

Neen, er is geen reis gepland. Het is geen kwestie van onder de kerktoren versus wanderlust. Ik hou zeker van reizen. Ik heb deeltjes van de wereld gezien. Het vliegtuig dropt je in het centrum van een nieuwe, eeuwenoude stad. De treinen sleuren je traag langs kronkelende wegen door het landschap. Auto’s zoeven over asfalt. Ik wil nog veel meer deeltjes van de wereld zien. Zeker als alles zo helder is. Ik wil een rode lijn zijn op een kaart die steeds verder weg lust van de plaats waar ik geboren ben.

Ik weet niet meer of ik het ergens heb gelezen, of het zelf heb bedacht, maar in elke nieuwe plek kijk ik ’s nachts op naar de sterrenhemel. En omdat ik geen verstand heb van die zaken, ziet die sterrenhemel er altijd precies hetzelfde uit: donker, met hier en daar vlekjes licht. Ik wil overal in de wereld komen, en daar mezelf weer vinden en besluiten dat ik er precies hetzelfde uitzie: donker, met hier en daar vlekjes licht. Voorlopig weet ik waar ik ben en waar ik eventjes zal blijven. Binnenkort misschien, dan vertrek ik weer. Maar niet nu. Een zorgrimpel graaft zich diep over hun voorhoofd. Alsof ik te beklagen ben omdat ik niet naar het buitenland vertrek. Maar ik vind het niet erg. Ik hoef de grens niet over. Ik moet niet ver reizen om mezelf te vinden: ik ben hier, gewoon hier, zoals altijd.

Ik heb het gevoel dat ik niets en tegelijk alles aan het doen ben. Niets, omdat ik een rustpunt inlas. Alles, omdat ik op dat punt sta en plan in welke richting ik zal stappen wanneer het denderen weer begint. Ik wil het verleden vasthouden, maar ook de toekomst bekijken. Er zijn dagen waarop er helemaal niets gebeurt, en dan lijkt het alsof ik niets te vertellen heb. Maar er is altijd een verhaal. Het duurt gewoon wat langer voor er een duidelijke lijn in het plot komt. Soms kijk ik naar het water en dan voel ik een dwingende drang om te springen, te duiken, de golven rond mijn lijf te wikkelen. Ik weet precies waar ik sta. Stil. Een klif is ook gewoon maar een rand. Ergens is er een zee waar ik wel zal zwemmen. Maar voorlopig niet.

De zon brandt tegen mijn huid. De warmte houdt nu al dagen aan. Een hittegolf overspoelt je, beukt tegen je hele wezen aan. Ik wil alles doen, maar ik doe niets. Ik beweeg amper, als een dier dat zich voor dood houdt. Dat is slim, dat is overleven zonder echt te moeten leven. Er zijn veel mensen in mijn omgeving die aan het echte leven beginnen. Ik zie het op prikborden, ik lees het in uitnodigingen, het schittert in de diamanten ringen. Ik stuur ze mijn beste wensen, ik kir hoe mooi hun baby is, ik zeg hoe trots ik ben. Ze vragen mij: “En hoe zit het met jou?”

Ik weet precies waar ik ben, of beter: waar ik naartoe wil, in welke richting ik zal stappen wanneer alles weer begint. Ik heb een plan, een rood pinnetje op een denkbeeldige kaart van mijn leven. Ik kan er niet naar wijzen, maar ik weet het wel heel zeker: “Daar! Daar ga ik naartoe.” Voor het eerst heb ik iets – een droom – zo lang in mijn handpalm gesloten dat het niet meer wegvliegt als ik mijn vuist weer open. De dingen die je echt dierbaar zijn, kan je loslaten, net omdat ze niet zomaar verdwijnen. Het verschil leren kennen is volgens mij de truc van volwassen worden.

“En hoe zit het met jou?” Zoveel mensen zijn geïnteresseerd in antwoorden, terwijl ik alleen maar vragen stel. In de zomer niet, in de zomer sta ik stil. Ik bestudeer de mensen en ik vraag mij af: Waren we altijd zo gelukkig? Zullen we altijd zo gelukkig blijven? Wat als het echt altijd zo goed blijft? Ik besef plots dat het iets is dat ik nooit had overwogen. Dat het niet alleen goed kan zijn, maar dat het ook goed kan blijven. Misschien ben ik zo gevoelig voor het licht omdat ik me zo lang in het duister hulde. Want meestal ben ik zo druk bezig met twijfelen, met nerveus op mijn lip kauwen, met ijsberen, met wikken en wegen, met angstig om mij heen te kijken, met voorzien waar het straks mis zal lopen. Maar wat als het zo goed blijft? Misschien was even stilstaan exact wat ik nodig had om dat te beseffen, om in mijn handpalm te staren en de gemoedsrust te zien: daar, nog steeds daar. Losgelaten en toch gebleven.

Dat is de schoonheid van een trage zomer, een zomer waarin je jezelf toelaat om stil te staan. In onze snelsnelsnelmaatschappij moet alles meteen gebeuren, en het moet ook meteen perfect zijn. Ik weet niet wanneer we allemaal zulke haastige mensen geworden zijn. We hebben geen tijd om een stap terug te nemen. Want het moet vooruit. Ik ben een heel jaar lang zo intens bezig geweest met mezelf op te bouwen, maar ik vergat om ook te kijken naar wat ik er uiteindelijk van gemaakt heb. Ik weet niet wanneer ik zo’n haastig mens geworden ben. Het gebeurde plots, en nu lijkt het alsof ik niets anders kan zijn: iemand met haast, iemand die nodig ergens moet zijn, iemand die geen tijd heeft.

Ik ga dus niet ver weg. Ik loop mezelf even niet meer voorbij. Integendeel, ik kom mezelf om elke hoek weer tegen, een oude bekende die ik bijna vergeten was. Ik steek mijn hand op in een begroeting: “Fijn je weer te zien.” Ik hou mij rustig, als een dier dat zich voor dood houdt. Overleven zonder echt te moeten leven, zonder ook maar iets te moeten. Ik sta stil. Ik bezin weer voor ik begin. Dat is de schoonheid van een trage zomer: ik mag.

And so with the sunshine and the great bursts of leaves growing on the trees, just as things grow in fast movies, I had that familiar conviction that life was beginning over again with the summer,” schreef F. Scott Fitzgerald in The Great Gatsby. Het leven begint opnieuw. Straks begint het razen weer, straks stijgen de verwachtingen sneller dan de temperatuur. Straks moet ik weer presteren, afleveren, indienen, bewijzen. Straks moet ik weer vooruit, verder, bewegen. Straks wordt mijn waarde gemeten in resultaten en in tijd. Straks ben ik weer een plus of een min, meer niet.

Maar voorlopig sta ik even stil, brand ik vanbinnen en schreeuw ik niet om hulp. Ik heb het gevoel dat ik niets en tegelijk alles aan het doen ben. Ik kijk door het open raam en zie de fel verlichte wereld. Ik nip van dure drankjes, ik luister naar de muziek, ik voel het gras tussen mijn vingers en ik lach op achterbanken, steeds kijkend naar de mensen. Ze lachen terug. En als iemand mij op dit moment zou zeggen dat het altijd zo goed blijft, dat we altijd zo gelukkig zullen zijn, zou ik het misschien zelfs geloven. Want het leven begint opnieuw. Dat is de schoonheid van een trage zomer. Tot binnenkort.

 

Advertenties

7 thoughts on “Pleidooi voor een trage zomer

  1. Héél knap geschreven. Traagheid, een ongekende luxe. Verleerd hebben we het. Tot we met onze neus tegen de muur knallen, en moeten stoppen. Dan gaat het trager, vanaf dat punt. Omdat het moet. Een geluk bij een ongeluk.

  2. Doet me dromen…
    Naar trage zomers om dat alles en niets te doen.
    Ik ben zelfs in mijn vakanties gejaagd. Want: stel je voor dat ik niet het maximum uit die weinige vrije dagen zou halen. Ik merk dat het me vermoeit. Hoe druk je de pauzeknop écht in?

    1. Ik snap het gevoel volledig. Het razen stopt nooit. Zelfs de vrije dagen moeten volledig en intens beleefd worden. Terwijl eventjes stil blijven staan net zo goed intens kan zijn. Hoe druk je de pauzeknop echt in? Geen idee. Ik denk dat veel mensen eerst eens stevig tegen een muur lopen voor ze dat te weten komen. Ik vraag gewoon aan mezelf: “Maakt dit jou gelukkig?” Het is een moeilijke evenwichtsoefening wel.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s