Goede mensen

Het is heel moeilijk om goed te zijn. Om de vuile was op te rapen in plaats van het te laten ophopen in een hoekje op de vloer. Om de afwas effectief te doen en het niet te laten opstapelen rond het aanrecht. Om de boodschappen uit de verpakking te halen en netjes in kasten te bewaren. Om de rekeningen niet net iets langer dan nodig in de brievenbus te laten liggen. Om stapeltjes boeken, overal verspreid, in rekken te rangschikken. Eerst volgens grootte, later volgens auteur. Het zonlicht vangt het stof, waar het een ballet van ordeloosheid danst in een straal die langzaam, gedurende de dag, over het parket glijdt. Je doet niets, of zeer weinig, om de ruïnes in je huis aan te pakken.

Thuis is het toegestaan om slecht te zijn. Niemand houdt een score bij. Niemand controleert of je braaf je bord leeg hebt gegeten. Zeven dagen binnen, zonder enig contact met de buitenwereld, en je bent toch niet teruggetrokken. Je bent veilig. Je neemt tijd voor jezelf. Je rust. Je leest het nieuws niet. Je scrollt niet door tijdlijnen. Je doorspit geen opiniepagina’s. Je probeert niet meer te begrijpen hoe we hier beland zijn, of waarom. De knoop ontwarren vraagt te veel energie. Je wil niet meer hopen tegen beter weten in. Je weet beter, en je wou dat het niet zo was. Patronen laat je links liggen. Je legt je neer bij het feit dat niets het onvermijdelijke kan voorkomen, en je zondert je af in het belang van het behoud van je geestelijke gezondheid. Het scherm vervang je door een raam. Het raam wordt een muur. De muur blijft.

Een man met macht neemt woorden in de mond alsof ze niets betekenen. ‘Wat wil hij zeggen wanneer hij spreekt? Wat betekent het allemaal?’ vraagt een buitenlandjournalist. Niemand kent het antwoord. Niemand weet wat hij bedoelt. De teruggang van taal doet pijn. Daarom schrijf je. De enige manier die je hebt om op de hoogte te blijven zonder verontwaardiging en woede je leven te laten overheersen, is alles op papier zetten. Het voelt aan als liefde. Of wat ervoor doorgaat. Tussen de zinnen is een plek waar je misschien iets waardevols kan produceren. Iets dat je mee kan nemen als je terugkomt. Waar je bent, weet je zelf ook niet. Je probeert desondanks om het precies en waarachtig uit te drukken. Het is een vorm van verzet, vind je. Maar alles wat je uitwerkt blijft in notitieboekjes, in documenten vol witregels, en vooral ongelezen.

Aan de andere kant van de wereld zegt een senator dat Joden geen echte mensen zijn. Nog een kerel noemt zwangere vrouwen eigendom van echtgenoten. ‘Ze moeten de gevolgen van hun daden dragen’, meent hij. Een vrouw spreekt de waarheid uit en verliest haar job. In eigen land besluit een politicus dat iedere verdachte vreemdeling ook zonder proces uitgewezen kan worden. Het is te veel tegelijk om te begrijpen. Op het werk ben je omringd door mannen, honderden mannen die zich allemaal afvragen waarom jij een vrouw bent. Je sleept je naar iedere vergadering en je overtuigt jezelf dat jij daar thuishoort. Je gelooft het amper. Na een meeting wandel je langs het bureau van een vriend die pas in het gebouw werkt. Je drukt een klapzoen op zijn wang en hij schrikt op. ‘Ik word niet elke dag gekust door een vrouw’, lacht hij nadat je je uitgebreid hebt verontschuldigd. Je denkt: dit is de liefste jongen die ik ken. Je denkt: hoe kan ik hem beschermen? De volgende ochtend word je wakker naast een vriendin. Terwijl zij slaapt, schrijf je dit allemaal neer. Als ze naast je komt staan, in de zon voor het raam, besef je dat ze nog nooit zo knap geweest is als nu. De wijnfles op de schouw is niet eens leeg.

Miljoenen vrouwen komen op straat. Overal. Ze eisen hun lichaam terug. Ze weigeren toe te geven aan discriminatie, van welke soort ook. Je voelt je begrepen maar eenzaam. Een vriendin vraagt je mee naar een protest. De straat is waar mensen hun ongenoegen kanaliseren. ‘Ik moest hier gewoon zijn’, legt ze uit. ‘Ik word elke ochtend bang wakker’, biecht ze op. Ze spreekt ernstig en eerlijk. Ze kiest haar woorden met grote zorg. Ze praat uitgebreid over onderwerpen die iets in haar teweeg brengen: ongeloof, onmacht, mededogen en, tenslotte, ook hoop. Ze is hartverscheurend en bewonderenswaardig duidelijk, ondanks haar twijfels. Je kijkt naar haar, hoe ongelooflijk prachtig ze is, en je bent opgelucht om te weten dat ze net als jij is op dit moment: verward en kwetsbaar, maar voorzichtig positief. Je leest de slogans op de borden en je ziet overal hetzelfde terugkomen. Iedereen voelt zich alleen. Dat doen we samen.

Je denkt: misschien was het vroeger echt wel beter. Het verleden is een vreemde plaats. Als je er te veel tijd doorbrengt, ga je tegen je eigen leven in. De lijken vallen uit de kast en je kust ze, omhelst ze, wil ze niet loslaten. Het is emotionele necrofilie. Hier is alles begrensd. Het is geruststellend. De mensen kunnen niet meer evolueren. Niemand gaat vooruit, wat ook betekent dat niemand achteruit gaat. Het is een perfect antigif voor de rusteloosheid die zich maanden geleden al in de plooien van je huid nestelde. Niemand maakt nog nieuwe fouten, niemand leert iets bij. Het is heel eenvoudig om de doden te vergeven. Het is heel simpel om ze te bewonderen. Je wil terug kind zijn, terug samen oud worden. Nostalgie naar je jeugd is het verlangen naar een tijd waarin je nog zeker wist dat je alles kon overleven. Maar zo werkt het niet, leer je met het ouder worden. Het leven is te luid, te aanwezig en, uiteindelijk, ondraaglijk. Maar mooi.

Je bent vaak onderweg. Je moet praten. Je brengt elke avond door in de woonkamer van een andere vriend of kennis, alsof dat de beste oplossing is voor een verbrijzeld leven: van plaats naar plaats trekken, in een poging locaties en mensen aan elkaar te rijgen en in de hoop dat je jezelf daar ergens tegenkomt. Iedereen stopt glazen rode wijn in je hand, terwijl je het liefst witte lust. Ze vragen hoe het met je gaat zonder te wachten op het antwoord. Ze zeggen: ‘Het zal allemaal wel niet zo’n vaart lopen.’ Ze zeggen: ‘Hij is zo slecht nog niet.’ Als je thuis bent, kan niemand je vinden. Je botst per ongeluk tegen muren en je voelt je onzichtbaar. Blauwe, paarse en vaag gele plekken verschijnen als sterrenstelsels op je schouders, je armen, je benen. Wanneer je eindelijk gaat slapen, kijk je naar de groene bolletjes naast de namen op je telefoon. Het is een geruststelling om te weten dat iedereen online is.

Als het lukt, vul je je appartement met mooie mensen. Je ziet ze allemaal verschrikkelijk graag. Ze brengen wijn en woorden met zich mee, niet noodzakelijk in die volgorde. Ze dansen, ze zingen en ze vragen zich af hoe we nu verder moeten. De volgende dag stuurt een vriendin je een foto van een ziekenhuisbed en je stopt eventjes met ademhalen. Niet veel later stort iemand anders in omdat ze niet meer wil eten. ‘Ik ben bang dat het weer uit de hand zal lopen’, snikt ze. Iemands ouders gaan scheiden. Een vriend woont sinds kort in Milaan en heeft heimwee. Elke avond stuurt hij je de uren van vluchten die vertrekken vanuit Brussel. Harten worden gebroken. En al die pijn die niemand ziet, is zo zichtbaar voor jou. Je weet niet wie je eerst moet troosten. Je wou dat je niets gaf om niemand. Je bent constant bang om iedereen te verliezen. Het is verstikkend. De persoon aan wie je alles wil vertellen is afstandelijk. ‘Je maakt mij bang als je me vraagt om je te vertellen over wat mij gelukkig maakt’, zegt hij, ‘Ik denk altijd dat je aan de rand van de afgrond staat.’ Je staart naar de grond.

Zijn vriend komt een hele dag bij jou werken. De stilte voelt niet lastig aan. Het tikken van zijn toetsenbord is als het tikken van de regen tegen de ruit: rustgevend, vertrouwd. Jij schrijft. Hij werkt aan zijn thesis. ‘Op mijn school heeft iedereen een vijfjarenplan’, vertelt hij, ‘En ik heb enkel zicht op de volgende twee uur van mijn leven. Wat daarna komt, weet ik niet.’ Hij heeft een toekomst, weet je, en die zal prachtig zijn. Je deelt een ruimte met hem waarin je anders op je eentje bent. Je staat hem toe dat hij vragen stelt. ‘Alles bij elkaar genomen ben ik redelijk gelukkig’, geef je toe, alsof geluk aan rede gebonden kan zijn.

Hij wil weten of je goed bent in alleen zijn. Je mist hem terwijl hij nog naast je zit. Dat zeg je niet. Je geeft niet prijs dat je wil dat mensen zich comfortabel voelen in je buurt, of dat je de zorgen van iedereen die je ontmoet wil verlichten. Je haalt je schouders op; je gezichtsuitdrukking verraadt niets. Hij wikkelt zich in het zwarte deken dat naast de pastel roze sofa ligt. ‘Je moet het mij zeggen als het te koud wordt’, waarschuw je voor de derde keer, ‘Ik zet de verwarming niet vaak op zodat ik kan besparen.’ Nooit heb je genoeg geld. Hij rilt en zegt dat het prima is zo. Dat is wat je altijd doet: je merkt gedrag op, je analyseert handelingen, en je articuleert ze nadien met een perfecte helderheid. Het stelt niet veel voor, maar erna lijkt het allemaal een beetje overzichtelijker.

Wanneer je verloren loopt in jezelf, schuilt zekerheid in dat soort bevestigingen. In alle details dubbelchecken. In voorzichtig vragen: ‘Beloofd?’ En geloven dat die belofte niet gebroken kan worden enkel en alleen omdat je het vroeg en zij ja zeiden. In een laatste bericht voor het slapengaan, ook al is niet alles uitgepraat of uitgesproken. In je hartslag, meer dan 100.000 keer per dag. Ook wanneer je wakker wordt en een naam in een blauwe tekstballon het eerste is wat je ziet. Ook wanneer je de voetstappen telt van de persoon die ’s nachts op straat achter je loopt. Ook wanneer ze achteraf vragen waarom je in godsnaam op die plaats was, op dat uur, alleen. Ook wanneer je nagels in je huid boren. Ook wanneer de administratie van het leven je passies transformeert in facturen, boetes en postzegels. Ook wanneer je fouten maakt. Kleine fouten die enorm groot lijken. Grote fouten die je klein krijgen. Ook wanneer je niemand wilt zien. Ook dan klopt het. Ooit zal dat stoppen. Ons hart is een tikkende tijdbom, een wapen de grootte van een vuist.

Wat een buitengewoon normale levens leiden wij dus, alles in beschouwing genomen. We zijn zo gemanierd. Alles staat op de juiste plek. We doen allemaal ons best. Om ons lichaam zich niet te laten misdragen. Om onze gedachten niet te laten ontrafelen. We slikken vitamines en niemand steelt iemands vriendje. Iedereen zegt sorry op het juiste moment en als we artikels lezen op het internet, zal er altijd iemand zuchten: ‘Ik wou dat er meer diversiteit was in de media.’ Iedereen zal heftig knikken. We zijn positief over het lichaam van anderen. We zijn positief over elkaars seksualiteit. We zien geen gender, kleur of nationaliteit. We doen ons best om wat we niet begrijpen verstaanbaar te maken door slimme vragen te stellen. En ondanks alles aarzelen we geen seconde wanneer we onverwacht vreugde voelen. We geven er meteen aan toe. We hebben onszelf er bijna van overtuigd dat we goede mensen zijn. Misschien is dat een manier van terugvechten.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s