Er is nooit genoeg liefde

Je beste vriend ligt boven je in een stapelbed en stuurt een bericht: ‘Ik word verdrietig van deze muziek.’ Je glimlacht in stilte en antwoordt: ‘Alles maakt jou verdrietig.’ Je stelt je voor hoe hij ook stiekem lacht. Leonard Cohen zingt over het Chelsea Hotel: ‘I don’t mean to pretend that I loved you the best. I can’t keep track of each fallen robin.’ 

De hele nacht stormt het buiten. De wind beukt keihard tegen de zeilen van de tent. Maar je voelt je veilig. Want je bent in zijn buurt. De volgende ochtend zegt hij: ‘Ik heb berekend hoe snel ik buiten kon geraken, mocht de boel instorten.’ Nog weken blijf je hieraan denken. Aan de optelsom die hij maakte. Elke dag kom je uit bij een ander resultaat.

Je denkt hier aan in het ziekenhuis, terwijl een vriend rust. De stoplichtoranje zak chemo balanceert boven zijn hoofd. Jij leest een boek. Hij blijft slapen. Wanneer het te donker is om verder te lezen, staar je naar hem. Je knipt het licht niet aan. Je weet dat je hem niet wakker moet maken. Niet nu hij eindelijk slaapt. Hij weet dat je het niet erg vindt. Dat hij slaapt. En precies daarom mis je hem, de vriend die zonder woorden weet wat je denkt. Je mist de kleine dingen. Hem ophalen na zijn werk en samen door de stad wandelen. Wijn drinken op je balkon. Films kijken tot laat in de nacht. Naar concerten gaan. Praten, uren praten. Jullie gesprekken over het leven hebben je al meer inzichten gegeven in de relaties tussen mensen dan eender welke intimiteit die je ooit gekend hebt.

Jullie delen een zekere onherroepelijke schade. Een onafwendbare gevoeligheid voor de voorgeschreven sociale ongelijkheid van deze wereld. Jullie zijn gefascineerd door het leven, maar schuwen de veelheid aan invullingen ervan. Eenvoud. Daarop is jullie vriendschap gebaseerd.  Hij weet wie je bent. Hij doet daar nooit moeilijk over. Hij heeft er eindeloos veel geduld mee. Dus ja, je mist hem. De dag waarop het gemis te intens wordt, sta je thuis voor je raam. Net wanneer je in tranen wil uitbarsten, begint het te sneeuwen. De eerste sneeuw. Dus je lacht, haalt je telefoon uit je zak en je stuurt hem: ‘Bedankt voor de sneeuw.’ En binnen de seconde krijg je respons: ‘Voor jou alles.’

Zijn vriendin blijft bij jou logeren wanneer ze de laatste trein niet wil halen. Ze komt op een avond toe en huilt een uur onophoudelijk. Je wikkelt haar in een dekentje. Je geeft haar een glas water. Je gaat op een stoel tegenover haar zitten en wacht beheerst tot ze klaar is om erover te praten. ‘Het is zo oneerlijk’, snikt ze uiteindelijk. Je voelt die pijn in drievoud. Een keer voor hem, een keer voor haar, een keer voor jezelf. Het is bijna ondraaglijk. Jullie blijven nog lang op. De volgende dag is ze weg nog voor je wakker bent. Ze laat een briefje achter op de tafel: ‘We are so fucking lucky to have a friend like you.’

Je brengt tijdens die eerste periode veel tijd door op het appartement van een vriend en zijn vriend. Het is zo goed als je tweede thuis geworden. Ze verwachten helemaal niets van je en daarom voel je je geborgen bij hen. In een klein hoekje lees je ongestoord ontelbare hoofdstukken. Zijn vriend zet koffie voor je. Hij werkt ondertussen verder. Schrijft altijd aan een of andere prachtige tekst waar hij uren over twijfelt. Je wil die onzekerheid wegnemen. Maar je weet niet hoe.

Af en toe vraagt hij naar het boek dat je die dag meebracht. Dan schrik je, omdat je snel vergeet waar je bent als je bij hem bent. Omdat je zo op je gemak bent dat je vergeet dat hij er is. Telkens je daarna enthousiast maar zonder enige samenhang praat over de verhalen, kijkt hij je aan met een vreemd geamuseerde blik. Hij onderbreekt je nooit.

Op een avond gaat hij vroeg slapen terwijl jij nog met zijn vriend in de zetel hangt. Je staat op, gaat naar de slaapkamer en zet je neer op het voeteneinde van het bed. ‘Ik weet dat je geen gemakkelijke dag had’, fluister je na een poosje, ‘Maar daar moet je nu niet aan denken.’ Hij ligt met zijn rug naar je toe. ‘Ik zal proberen’, mompelt hij. Je zwijgt even. Je wil hem zoveel zeggen. Je vertelt uiteindelijk dat hij een goede vriend voor je was die dag. ‘Je bent altijd een goede vriend voor me’, vul je aan. Je meent het. Het is niet zijn schrijven dat je in hem bewondert; het is wie hij is. Hoe hij is. Sommige mensen zijn moeiteloos mooi. Dat zeg je niet. Je hebt er de juiste woorden niet voor. Dus je gaat op je tenen de kamer uit.

Je beste vriend stuurt je op datzelfde moment: ‘Mijn telefoon gaat uit tot morgenavond.’ Je antwoordt dat je hem graag ziet. Het is essentieel om mensen in je leven te hebben die altijd antwoorden met ‘ik zie je graag’ als je het te druk hebt en je hoofd te warrig is om afspraken na te komen. Vrienden bij wie je terecht kan wanneer je geen aangenaam gezelschap bent. Vrienden die geen energie van je vragen, maar je energie geven. Gewoon door bij je te zijn. Vrienden die je goedemorgen en slaapwel sturen, zelfs als alles daartussen in stilzwijgen gehuld blijft.

De volgende dag vraagt hij: ‘Vind je het nog steeds leuk om mij te zien?’ Je wil hem zeggen dat je aan hem denkt. Dat je constant aan hem denkt. Dat het veel van je vraagt, al dat denken aan hem. Dat je soms, voor een seconde, eens aan iemand anders moet denken.

Een andere vriendin zegt bijvoorbeeld: ‘Ik voel afstand tussen ons.’ Je zit op een terras in Brussel. Je luistert gedwee naar alle manieren waarop je haar tekortschoot. Je denkt: misschien ligt de oplossing in het weten welke woorden moeten worden uitgesproken, welke acties moeten worden ondernomen en in welke volgorde. Of misschien ligt het antwoord in iemands blik. In haar blik. Je kijkt naar je nerveuze handen tussen je knieën.

‘En je hebt nooit over mij geschreven’, besluit ze plots, ‘Niet een keer.’ Je voelt een krop in je keel. Je eerste indruk van haar was die van een ambitieuze vrouw die zonder succes probeerde om een normaal persoon te zijn. Een vermomming zo buitensporig dat misleiding haar handelsmerk werd. Maar je leerde al snel dat haar beruchte charme door angst afbrokkelde. Je wil haar zeggen hoe je dat ziet. Hoe ze dat voor jou niet kan verstoppen. Je bijt op je lip. Je bent je pijnlijk bewust van wat ze denkt: dat jij een keuze hebt gemaakt tussen twee steden. Je wist niet dat het ook een keuze was tussen hem en haar. Dat was nooit de bedoeling. Je vraagt je af: hoe zijn we hier beland?

Weken verstrijken. Je probeert uit het niets je weg te vinden. Je tast in het duister. Op sommige dagen gebeurt er niets catastrofaals. Alles is normaal en de wereld draait door. En toch heb je berekend hoe snel je hier weg kan geraken. Mocht de boel instorten. Je bent zo moe. Dat is wat je zegt als mensen vragen hoe het met je gaat: ‘Ik ben moe.’ Het kruipt onder je vel. De dokter vraagt: ‘Wil je dood?’ En je schudt het hoofd, smalend: ‘Nee, ik wil leven.’ Hij wacht even. Maar meer wil je er niet over kwijt. Hij krabbelt iets in zijn notitieboek en zegt vervolgens: ‘Je moet je zinnen afmaken.’

‘Volgens mij is er tegenwoordig te veel begrip’, zegt de jonge theatermaakster die je interviewt op een zondagmiddag, ‘Ik bedoel dat niet verkeerd. Ik wil gewoon zeggen: we maken er nu zo’n heisa van als mensen even zeggen dat het niet goed gaat, terwijl het juist de normaalste zaak van de wereld is. Je kan het niemand overigens kwalijk nemen in deze samenleving.’ De twintiger zit tegenover je met een kop thee. Je knikt bedachtzaam, maar je stelt geen vragen meer. Je moet het allemaal even laten bezinken.

Je was het afgelopen jaar geabsorbeerd in een poëtische wereld en week zelden af van je magische realisme, zorgvuldig geconstrueerd uit dakterrassen, panoramisch uitzichten, wijn en overvolle agenda’s. Er was zo’n overvloed aan keuzes dat het onmogelijk werd om een ​​beslissing te nemen: wie heb je het liefst lief? Om wie geef je het meest? Er is nooit genoeg liefde. Je besefte te laat dat niemand ooit diep genoeg kan identificeren met de problemen van iemand anders om de zinnen ‘ik weet hoe je je voelt’ en ‘ik zie je ondanks alles graag’ vol te houden.

Dat heeft je hart een keer te veel gebroken. Je bent niet langer in staat om meer kennis in je hoofd te verdragen. Niet zoals vroeger. Het doet te veel pijn om alles over iedereen te weten. Je kan niet blijven iedereen redden. Daar komt nooit een einde aan. Je houdt je hand op je hart. Ze zijn daar. Iedereen is daar. Jij ook. Je hoopt dat je daar snel berusting in kan vinden.

 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s