Geen maatschappij, geen spiegels, geen tijd, geen ruimte

“Mag ik je eigenlijk dik noemen?” De jonge journaliste tegenover mij vraagt het bijna verontschuldigend. Ze glimlacht nerveus, alsof ze met haar blik wil zeggen: het spijt mij, ik moet dit vragen van mijn redactie. We zitten in een rustige koffiebar in Gent, en ze interviewt mij over mijn boek dat de weinig aan de verbeelding overlatende titel Dik. Lelijk. Wijf. draagt. Natuurlijk moet ze dit op tafel gooien. Ik stel haar snel gerust. “Uiteraard mag dat”, zeg ik. Wat volgt is de standaarduitleg die ik heb ingestudeerd: ‘dik’ is een beschrijvend woord en je kunt het geen morele waarde opleggen. Ik ben dik, maar daarom geen slecht mens. Ik zeg het snel en vol overtuiging, als een brede pleister die ik van de wonde trek. Maar haar vraag, samen met haar zenuwachtige lachje, slaat mij toch uit het lood. Ik vloek inwendig, waar een aantal knopen opnieuw strakker aangetrokken wordt. Knopen die ik heb proberen te ontwarren door het schrijven van een boek. Ik wring in mijn handen. Het is een gewoontegebaar: ik hou mijn eigen hand vast, alsof ik mezelf zo bij elkaar kan houden. Ik wil mij eraan herinneren dat ik hier ben, op deze wereld en in dit lichaam.

Zie je, ik ben lang niet de sterke vrouw van wie iedereen beweert dat ik ze ben wanneer ze het over mijn boek hebben. Dapper, zeggen ze. En ik wimpel ze allemaal af. Gewapend met woorden kom ik inderdaad heel moedig over, maar ik ben met diezelfde woorden ook heel gemakkelijk klein te krijgen. Te gemakkelijk. Ik ben geen sterke vrouw. Ik ben een huilend meisje op de badkamervloer. Ik ben een jankende trut in publieke toiletten. Ik kom de paskamer niet uit. Ik zeg afspraken af. Ik blijf binnen en wil liever niet gezien worden, om opmerkingen als “Dik. Lelijk. Wijf.” te vermijden. Ik wil het niet meer horen. Het is het enige wat ik hoor. Ik kan alleen maar eerlijk zijn, en de waarheid is dat mijn boek geen triomfverhaal is. Ik ben nog steeds even dik en onzeker als vóór ik het geschreven had. Om niet te zeggen: nog onzekerder.

Ik heb daarom nog altijd niet het gevoel dat ik de meest gekwalificeerde persoon ben om over zelfbeeld te praten, maar ik weet ook niet aan welke vereisten ik zou moeten voldoen om die meest gekwalificeerde persoon te zijn. Eigenwaarde is het monster onder het bed van elke mens. Het maakt niet uit waar je bent, hoe oud je wordt en hoe geliefd je bent, je zult altijd het gevoel hebben dat het monster je naar beneden kan sleuren, in het diepe dal van zelfhaat en walging. De kloof tussen opgesloten zitten in je eigen lichaam en je goed in je vel voelen is hemelsbreed. Soms lijkt het alsof er niemand aan de andere kant staat die je zal opvangen. Als ik het waag om te springen, zal ik dan te pletter storten of veilig landen?

Ik ken het antwoord nog steeds niet. Als je denkt dat een boek schrijven over zelfbeeld een snelle route is naar een goed zelfbeeld, kan ik je meteen zeggen dat het zo niet werkt. Toch voor mij niet. Ik ben mij net nog meer bewust van het beeld dat mensen zich vormen van mij, een dikke vrouw: lui, luid, storend, vraatzuchtig, egoïstisch, ongezond en een gebrek aan karakter. “Dik. Lelijk. Wijf.” Soms kan ik alleen maar daaraan denken. Het knaagt. Zal ik voor altijd alleen dat zijn? Het is eng dat mijn vrienden, familie en alle mensen die nog in mijn leven moeten komen, zullen lezen over de onzekerheden die gepaard gaan met het meesleuren van dat extra gewicht. Ik vraag mij af hoe ze zullen reageren op wat ik pende over hoe het is om een vrouw te zijn die niet de hoofden doet draaien omwille van haar uiterlijk. Toch niet om “de juiste” redenen. Ik ben bang dat ik hier slecht ga uitkomen: ijdel, egocentrisch, obsessief, irritant en broos.

Ik weiger te geloven dat ik, zeker als vrouw, alleen maar bezig moet zijn met mooi zijn of mooi worden. Ik wil geloven dat ik comfortabel kan zijn met mijzelf – ook op de dagen waarop ik mij niet mooi voel. Ik wil mezelf zijn, en handelen en denken als mezelf. Niet als een potentiële versie die slanker is. Ik wil graag een goede schrijfster zijn, een goede journaliste en een goed mens. Liefst allemaal tegelijk. Ik wil serieus genomen worden in al die rollen, ondanks mijn vetrollen: als schrijfster, als journaliste en als mens. Ik wil gezien worden voor meer dan mijn lichaam. Gekkenwerk dus dat ik een boek uitbreng waarop mijn ergste demonen – dik, lelijk, wijf – vetgedrukt staan, zichtbaar voor iedereen. Ik wilde hier helemaal niet over schrijven. Ik vind dit gênant. Omdat mij is aangeleerd dat ik mij moet schamen voor mijn lichaam, dat ik er zeker niet te koop mee moet lopen. Wat ik nu juist wel doe. Ik wil dit boek verbranden. Ik wil de tijd terugdraaien en neen zeggen tegen mijn uitgever. Ik wil mezelf verzwijgen, in de hoop dat niemand over mijn lichaam praat. Geen verwijten. Geen achterklap. Geen oordelen.

En tegelijk wil ik ook dat het mij helemaal niets doet. Ik wil boven alles staan. Standvastig, zeker van mijn zaak en van mezelf. Maar ik verbrokkel bij het minste zuchtje kritiek. Ik weet niet wat er eerst komt: je niet aantrekken wat anderen van je denken, of van jezelf houden. Ik denk dat ons aangeleerd wordt om het eerste af te leren, om dan pas in staat te zijn tot het tweede. Alsof wij de pijn, onzekerheid en liefde die gepaard gaan met het hebben van een lichaam, gemakkelijk op een tijdlijn kunnen plaatsen. Dat is in werkelijkheid een stuk genuanceerder. Je niet aantrekken wat andere mensen van je denken, is de beste manier om de dag zonder kleerscheuren door te komen. Het is meteen ook de moeilijkste manier, want er gaat geen dag voorbij zonder dat wij beoordeeld worden – door anderen, door de maatschappij, maar vooral door onszelf en wat we van onszelf verwachten.

En je weet het. Je weet dat het onzin is. Je weet dat je meer bent dan je uiterlijk alleen. Je weet dat schuldgevoel en schaamte over een kledingmaat, een haarkleur of de vorm van je kin nergens toe leiden. Je weet dat je geluk niet kunt uitstellen tot je een kilogram minder weegt, tot je armen net goed genoeg gespierd zijn, tot je tanden helemaal wit zijn. Je weet dat het nastreven van een bikinibody je leven niet inherent beter zal maken. Toch zetten we door in een destructief patroon waarin we tegen onszelf zeggen: “Ik ben niet goed genoeg.” We klemmen de kaken op elkaar en laten niets meer toe: geen voedsel, geen communicatie. We zetten onszelf in de strafhoek, schuldig aan de complexe misdaad van maar een gewoon mens te zijn. Niet knap. Niet mager. Niet goed genoeg.

Ik ken meisjes die eeuwig meisjes blijven om die reden. Ik ken vrouwen die zichzelf wegcijferen om die reden. Ik ken mannen die weigeren om te spreken waarover ze denken niet te mogen spreken: dat zij zich ook slecht in hun vel voelen. Net als iedereen. Ik ken mannen die zwijgen uit angst om als zwak aanzien te worden. Ik ken vrouwen die zwijgen omdat ze zelfs niet aan zichzelf willen toegeven dat ze zich niet mooi voelen, want zij hebben geleerd dat lelijk het ergste is wat je als vrouw kunt zijn. Ik ken zoveel mensen, verschrikkelijk mooie mensen, die zichzelf verwaarlozen en zichzelf zo slecht behandelen. Het breekt mijn hart telkens ik dat bij anderen zie. Ik wil ze allemaal een hand reiken en toevertrouwen: “Ik zal je bij elkaar houden. Jij bent hier, op deze wereld en in dit lichaam.”

Maar dat kan ik niet doen. Ik kan het amper voor mezelf doen. De aanvaarding van je lichaam is gemakkelijk in theorie. In praktijk is het hard labeur. Ik maak mij vaak schuldig aan een mentaliteit waarin ik iedereen in mijn omgeving wil opdringen om lief te zijn voor hun lijf, alleen om mezelf dan toch nog stiekem te haten. Het is nooit gemakkelijk om te accepteren dat onze lichamen gebrekkig en feilbaar zijn. Dat ze veranderen. Dat ze uitzetten. Dat ze krimpen. Dat ze ouder worden. Dat ze aftakelen. Maar waar trekken we de grens? Wanneer zeggen we dat het moet stoppen? Willen we echt nog steeds enkel knap en mager en jong en aantrekkelijk zijn in onze doodskist?

Hoe vermoeiend. Hoe vreselijk vermoeiend. Het is tijd dat wij allemaal ons zelfbeeld opnieuw opeisen. Onze lichamen zijn veel meer waard dan wat we ze nu aandoen. Onze lichamen zijn meer dan objecten om af te breken. Onze lichamen zijn meer dan een wanhopig offer aan de samenleving; een offer dat, helemaal opgesmukt en ingesnoerd, schreeuwt: “Ik kan alleen maar bestaan als ik begeerd ben! Ik kan mij alleen maar goed voelen als jij mij waardeert!” Vrouwen als ik zijn nauwelijks begeerd. Vrouwen als ik worden nauwelijks gewaardeerd. Tegen vrouwen als ik wordt aanmoedigend gezegd: “Wees gewoon jezelf!” Dat heet dan ‘inspirerend’ op Pinterest, waar alles perfect is. Maar perfectie is uitputtend. Perfectie sloopt mij. Perfectie maakt mij kapot. Het maakt niet uit hoe hard je jezelf bent, we leven in een cultuur waarin het vrijwel onmogelijk is om de bestaande schoonheidsnormen te negeren. De representatie van dat ideaal is op ons netvlies gebrand en maakt ons blind voor de verschillende soorten schoonheid die verschillende soorten mensen en verschillende soorten lichamen bezitten.

Misschien wil je er op een bepaalde manier uitzien omdat je denkt dat de mensen je dan zullen respecteren, aandacht geven en luisteren naar wat je te zeggen hebt. Misschien wil je iets aan jezelf veranderen omdat je denkt dat je dan zult zijn wie je echt zou moeten zijn. Maar als het gaat over de persoon die je wilt zijn, moet je eerst weten wie dat is. En dat kun je alleen maar doen door de confrontatie met jezelf aan te gaan. De wortel van voorzichtig zelfvertrouwen schiet door de oppervlakte wanneer we bereid zijn ernaar te wroeten, wanneer we de aarde onder onze nagels tolereren. Graaf dieper. Haal jezelf terug naar boven. Sta jezelf toe om gewoon een mens te zijn, met een lichaam dat je helpt om een beter mens te worden. Geduldig voor jezelf en voor anderen. Body positivity betekent niet dat je voor de volle honderd procent positief moet zijn over het lichaam van anderen. Het betekent zelfs niet dat je voor de volle honderd procent positief moet zijn over je eigen lichaam. Het houdt gewoon in dat je probeert.

Dus probeer dit. Probeer jezelf in te beelden in een vacuüm. Jij alleen. Geen maatschappij. Geen spiegels. Geen tijd. Geen ruimte. Alleen jij. Geen mensen meer die jouw lichaam kunnen claimen. Je zweeft. Wat ga je aan jezelf vertellen wanneer het ‘alleen jij’ is? Zul je ‘ik hou van je’ fluisteren? Zul je het vervolgens schreeuwen tot dat het enige geluid is? Ik hoop het. Ik hoop dat er genoeg liefde in dat vacuüm wordt gepompt om een imperium op te bouwen, om uit het niets op te rijzen en grootser te zijn dan alle verwachtingen die jou werden opgelegd, door anderen en zeker door jezelf. Ik hoop dat je eruit komt met vertrouwen in wat je lichaam kan doen. Goed genoeg.

Ik leg daarbij heel bewust de nadruk op proberen. Er zullen nog altijd slechte dagen zijn, waarbij je het gevoel hebt dat je compleet waardeloos bent omwille van je uiterlijk. Er zullen nog altijd dagen zijn waarop mensen je daarop afrekenen en je hen gelooft, ook al weten ze niets over jou. Zelfhaat is heel verleidelijk, net omdat het zo vertrouwd en gemakkelijk is. Liefde vergt moeite. Uiteindelijk wordt het eenvoudiger om die donkere dagen te herkennen voor wat ze zijn: dagen die ook, net als alle andere, gewoon voorbijgaan. En dan is er een volgende ochtend waarop je in de spiegel naar jezelf kunt kijken en zeggen: “Beter nu.” Soms is dat een bevestiging, veel vaker is het een hoopvolle belofte. Dat is oké. Je hoeft heus niet elke dag de beste versie van jezelf te zijn. Je hoeft heus niet elke dag van de daken te schreeuwen dat je van jezelf houdt. Je mag breekbaar zijn. Je mag zelfs breken. Dat is net wat je een mens maakt. En mensen zijn de moeite waard. Daarom heb ik dit boek geschreven. En ja, je mag mij gerust dik noemen.

Dit stuk verscheen op 30 augustus 2016 in Knack Weekend naar aanleiding van mijn boek “Dik. Lelijk. Wijf.”.