Geen maatschappij, geen spiegels, geen tijd, geen ruimte

“Mag ik je eigenlijk dik noemen?” De jonge journaliste tegenover mij vraagt het bijna verontschuldigend. Ze glimlacht nerveus, alsof ze met haar blik wil zeggen: het spijt mij, ik moet dit vragen van mijn redactie. We zitten in een rustige koffiebar in Gent, en ze interviewt mij over mijn boek dat de weinig aan de verbeelding overlatende titel Dik. Lelijk. Wijf. draagt. Natuurlijk moet ze dit op tafel gooien. Ik stel haar snel gerust. “Uiteraard mag dat”, zeg ik. Wat volgt is de standaarduitleg die ik heb ingestudeerd: ‘dik’ is een beschrijvend woord en je kunt het geen morele waarde opleggen. Ik ben dik, maar daarom geen slecht mens. Ik zeg het snel en vol overtuiging, als een brede pleister die ik van de wonde trek. Maar haar vraag, samen met haar zenuwachtige lachje, slaat mij toch uit het lood. Ik vloek inwendig, waar een aantal knopen opnieuw strakker aangetrokken wordt. Knopen die ik heb proberen te ontwarren door het schrijven van een boek. Ik wring in mijn handen. Het is een gewoontegebaar: ik hou mijn eigen hand vast, alsof ik mezelf zo bij elkaar kan houden. Ik wil mij eraan herinneren dat ik hier ben, op deze wereld en in dit lichaam.

Zie je, ik ben lang niet de sterke vrouw van wie iedereen beweert dat ik ze ben wanneer ze het over mijn boek hebben. Dapper, zeggen ze. En ik wimpel ze allemaal af. Gewapend met woorden kom ik inderdaad heel moedig over, maar ik ben met diezelfde woorden ook heel gemakkelijk klein te krijgen. Te gemakkelijk. Ik ben geen sterke vrouw. Ik ben een huilend meisje op de badkamervloer. Ik ben een jankende trut in publieke toiletten. Ik kom de paskamer niet uit. Ik zeg afspraken af. Ik blijf binnen en wil liever niet gezien worden, om opmerkingen als “Dik. Lelijk. Wijf.” te vermijden. Ik wil het niet meer horen. Het is het enige wat ik hoor. Ik kan alleen maar eerlijk zijn, en de waarheid is dat mijn boek geen triomfverhaal is. Ik ben nog steeds even dik en onzeker als vóór ik het geschreven had. Om niet te zeggen: nog onzekerder.

Ik heb daarom nog altijd niet het gevoel dat ik de meest gekwalificeerde persoon ben om over zelfbeeld te praten, maar ik weet ook niet aan welke vereisten ik zou moeten voldoen om die meest gekwalificeerde persoon te zijn. Eigenwaarde is het monster onder het bed van elke mens. Het maakt niet uit waar je bent, hoe oud je wordt en hoe geliefd je bent, je zult altijd het gevoel hebben dat het monster je naar beneden kan sleuren, in het diepe dal van zelfhaat en walging. De kloof tussen opgesloten zitten in je eigen lichaam en je goed in je vel voelen is hemelsbreed. Soms lijkt het alsof er niemand aan de andere kant staat die je zal opvangen. Als ik het waag om te springen, zal ik dan te pletter storten of veilig landen?

Ik ken het antwoord nog steeds niet. Als je denkt dat een boek schrijven over zelfbeeld een snelle route is naar een goed zelfbeeld, kan ik je meteen zeggen dat het zo niet werkt. Toch voor mij niet. Ik ben mij net nog meer bewust van het beeld dat mensen zich vormen van mij, een dikke vrouw: lui, luid, storend, vraatzuchtig, egoïstisch, ongezond en een gebrek aan karakter. “Dik. Lelijk. Wijf.” Soms kan ik alleen maar daaraan denken. Het knaagt. Zal ik voor altijd alleen dat zijn? Het is eng dat mijn vrienden, familie en alle mensen die nog in mijn leven moeten komen, zullen lezen over de onzekerheden die gepaard gaan met het meesleuren van dat extra gewicht. Ik vraag mij af hoe ze zullen reageren op wat ik pende over hoe het is om een vrouw te zijn die niet de hoofden doet draaien omwille van haar uiterlijk. Toch niet om “de juiste” redenen. Ik ben bang dat ik hier slecht ga uitkomen: ijdel, egocentrisch, obsessief, irritant en broos.

Ik weiger te geloven dat ik, zeker als vrouw, alleen maar bezig moet zijn met mooi zijn of mooi worden. Ik wil geloven dat ik comfortabel kan zijn met mijzelf – ook op de dagen waarop ik mij niet mooi voel. Ik wil mezelf zijn, en handelen en denken als mezelf. Niet als een potentiële versie die slanker is. Ik wil graag een goede schrijfster zijn, een goede journaliste en een goed mens. Liefst allemaal tegelijk. Ik wil serieus genomen worden in al die rollen, ondanks mijn vetrollen: als schrijfster, als journaliste en als mens. Ik wil gezien worden voor meer dan mijn lichaam. Gekkenwerk dus dat ik een boek uitbreng waarop mijn ergste demonen – dik, lelijk, wijf – vetgedrukt staan, zichtbaar voor iedereen. Ik wilde hier helemaal niet over schrijven. Ik vind dit gênant. Omdat mij is aangeleerd dat ik mij moet schamen voor mijn lichaam, dat ik er zeker niet te koop mee moet lopen. Wat ik nu juist wel doe. Ik wil dit boek verbranden. Ik wil de tijd terugdraaien en neen zeggen tegen mijn uitgever. Ik wil mezelf verzwijgen, in de hoop dat niemand over mijn lichaam praat. Geen verwijten. Geen achterklap. Geen oordelen.

En tegelijk wil ik ook dat het mij helemaal niets doet. Ik wil boven alles staan. Standvastig, zeker van mijn zaak en van mezelf. Maar ik verbrokkel bij het minste zuchtje kritiek. Ik weet niet wat er eerst komt: je niet aantrekken wat anderen van je denken, of van jezelf houden. Ik denk dat ons aangeleerd wordt om het eerste af te leren, om dan pas in staat te zijn tot het tweede. Alsof wij de pijn, onzekerheid en liefde die gepaard gaan met het hebben van een lichaam, gemakkelijk op een tijdlijn kunnen plaatsen. Dat is in werkelijkheid een stuk genuanceerder. Je niet aantrekken wat andere mensen van je denken, is de beste manier om de dag zonder kleerscheuren door te komen. Het is meteen ook de moeilijkste manier, want er gaat geen dag voorbij zonder dat wij beoordeeld worden – door anderen, door de maatschappij, maar vooral door onszelf en wat we van onszelf verwachten.

En je weet het. Je weet dat het onzin is. Je weet dat je meer bent dan je uiterlijk alleen. Je weet dat schuldgevoel en schaamte over een kledingmaat, een haarkleur of de vorm van je kin nergens toe leiden. Je weet dat je geluk niet kunt uitstellen tot je een kilogram minder weegt, tot je armen net goed genoeg gespierd zijn, tot je tanden helemaal wit zijn. Je weet dat het nastreven van een bikinibody je leven niet inherent beter zal maken. Toch zetten we door in een destructief patroon waarin we tegen onszelf zeggen: “Ik ben niet goed genoeg.” We klemmen de kaken op elkaar en laten niets meer toe: geen voedsel, geen communicatie. We zetten onszelf in de strafhoek, schuldig aan de complexe misdaad van maar een gewoon mens te zijn. Niet knap. Niet mager. Niet goed genoeg.

Ik ken meisjes die eeuwig meisjes blijven om die reden. Ik ken vrouwen die zichzelf wegcijferen om die reden. Ik ken mannen die weigeren om te spreken waarover ze denken niet te mogen spreken: dat zij zich ook slecht in hun vel voelen. Net als iedereen. Ik ken mannen die zwijgen uit angst om als zwak aanzien te worden. Ik ken vrouwen die zwijgen omdat ze zelfs niet aan zichzelf willen toegeven dat ze zich niet mooi voelen, want zij hebben geleerd dat lelijk het ergste is wat je als vrouw kunt zijn. Ik ken zoveel mensen, verschrikkelijk mooie mensen, die zichzelf verwaarlozen en zichzelf zo slecht behandelen. Het breekt mijn hart telkens ik dat bij anderen zie. Ik wil ze allemaal een hand reiken en toevertrouwen: “Ik zal je bij elkaar houden. Jij bent hier, op deze wereld en in dit lichaam.”

Maar dat kan ik niet doen. Ik kan het amper voor mezelf doen. De aanvaarding van je lichaam is gemakkelijk in theorie. In praktijk is het hard labeur. Ik maak mij vaak schuldig aan een mentaliteit waarin ik iedereen in mijn omgeving wil opdringen om lief te zijn voor hun lijf, alleen om mezelf dan toch nog stiekem te haten. Het is nooit gemakkelijk om te accepteren dat onze lichamen gebrekkig en feilbaar zijn. Dat ze veranderen. Dat ze uitzetten. Dat ze krimpen. Dat ze ouder worden. Dat ze aftakelen. Maar waar trekken we de grens? Wanneer zeggen we dat het moet stoppen? Willen we echt nog steeds enkel knap en mager en jong en aantrekkelijk zijn in onze doodskist?

Hoe vermoeiend. Hoe vreselijk vermoeiend. Het is tijd dat wij allemaal ons zelfbeeld opnieuw opeisen. Onze lichamen zijn veel meer waard dan wat we ze nu aandoen. Onze lichamen zijn meer dan objecten om af te breken. Onze lichamen zijn meer dan een wanhopig offer aan de samenleving; een offer dat, helemaal opgesmukt en ingesnoerd, schreeuwt: “Ik kan alleen maar bestaan als ik begeerd ben! Ik kan mij alleen maar goed voelen als jij mij waardeert!” Vrouwen als ik zijn nauwelijks begeerd. Vrouwen als ik worden nauwelijks gewaardeerd. Tegen vrouwen als ik wordt aanmoedigend gezegd: “Wees gewoon jezelf!” Dat heet dan ‘inspirerend’ op Pinterest, waar alles perfect is. Maar perfectie is uitputtend. Perfectie sloopt mij. Perfectie maakt mij kapot. Het maakt niet uit hoe hard je jezelf bent, we leven in een cultuur waarin het vrijwel onmogelijk is om de bestaande schoonheidsnormen te negeren. De representatie van dat ideaal is op ons netvlies gebrand en maakt ons blind voor de verschillende soorten schoonheid die verschillende soorten mensen en verschillende soorten lichamen bezitten.

Misschien wil je er op een bepaalde manier uitzien omdat je denkt dat de mensen je dan zullen respecteren, aandacht geven en luisteren naar wat je te zeggen hebt. Misschien wil je iets aan jezelf veranderen omdat je denkt dat je dan zult zijn wie je echt zou moeten zijn. Maar als het gaat over de persoon die je wilt zijn, moet je eerst weten wie dat is. En dat kun je alleen maar doen door de confrontatie met jezelf aan te gaan. De wortel van voorzichtig zelfvertrouwen schiet door de oppervlakte wanneer we bereid zijn ernaar te wroeten, wanneer we de aarde onder onze nagels tolereren. Graaf dieper. Haal jezelf terug naar boven. Sta jezelf toe om gewoon een mens te zijn, met een lichaam dat je helpt om een beter mens te worden. Geduldig voor jezelf en voor anderen. Body positivity betekent niet dat je voor de volle honderd procent positief moet zijn over het lichaam van anderen. Het betekent zelfs niet dat je voor de volle honderd procent positief moet zijn over je eigen lichaam. Het houdt gewoon in dat je probeert.

Dus probeer dit. Probeer jezelf in te beelden in een vacuüm. Jij alleen. Geen maatschappij. Geen spiegels. Geen tijd. Geen ruimte. Alleen jij. Geen mensen meer die jouw lichaam kunnen claimen. Je zweeft. Wat ga je aan jezelf vertellen wanneer het ‘alleen jij’ is? Zul je ‘ik hou van je’ fluisteren? Zul je het vervolgens schreeuwen tot dat het enige geluid is? Ik hoop het. Ik hoop dat er genoeg liefde in dat vacuüm wordt gepompt om een imperium op te bouwen, om uit het niets op te rijzen en grootser te zijn dan alle verwachtingen die jou werden opgelegd, door anderen en zeker door jezelf. Ik hoop dat je eruit komt met vertrouwen in wat je lichaam kan doen. Goed genoeg.

Ik leg daarbij heel bewust de nadruk op proberen. Er zullen nog altijd slechte dagen zijn, waarbij je het gevoel hebt dat je compleet waardeloos bent omwille van je uiterlijk. Er zullen nog altijd dagen zijn waarop mensen je daarop afrekenen en je hen gelooft, ook al weten ze niets over jou. Zelfhaat is heel verleidelijk, net omdat het zo vertrouwd en gemakkelijk is. Liefde vergt moeite. Uiteindelijk wordt het eenvoudiger om die donkere dagen te herkennen voor wat ze zijn: dagen die ook, net als alle andere, gewoon voorbijgaan. En dan is er een volgende ochtend waarop je in de spiegel naar jezelf kunt kijken en zeggen: “Beter nu.” Soms is dat een bevestiging, veel vaker is het een hoopvolle belofte. Dat is oké. Je hoeft heus niet elke dag de beste versie van jezelf te zijn. Je hoeft heus niet elke dag van de daken te schreeuwen dat je van jezelf houdt. Je mag breekbaar zijn. Je mag zelfs breken. Dat is net wat je een mens maakt. En mensen zijn de moeite waard. Daarom heb ik dit boek geschreven. En ja, je mag mij gerust dik noemen.

Dit stuk verscheen op 30 augustus 2016 in Knack Weekend naar aanleiding van mijn boek “Dik. Lelijk. Wijf.”.

Voor wanneer het gevoel ontbreekt

Ik weet niet goed waar ik precies moet beginnen. Het is een vreemde zomer. Ik zag de zon ondergaan op Sunset Boulevard, in West Hollywood, waar ik naar de sterren keek en niemand mijn naam kende. Op de vlucht naar Los Angeles zat ik naast een industrieel ontwerper uit Stockholm met wie ik zeven uur lang sprak over passie voor je job. Op de vlucht terug naar België zat ik naast een jonge vrouw uit Californië die voor een half jaar naar Rome verhuisde en de taal nog niet machtig was. Ze telde tot tien in het Italiaans terwijl ze in slaap viel. Op het dakterras van The Beverly Hilton sprak ik met een collega over de link tussen verdraagzaamheid en terreur, en hoe de som van die dingen altijd liefde zou moeten zijn. Met een andere collega sprak ik over hoe moeilijk het is om als jonge vrouw met veel ambitie in de media te staan.

De energie die ik van zulke gesprekken krijg is zeer belangrijk. Ik heb het moeilijk om contact te leggen met creatieve mensen. Ik heb nood aan waardevolle gesprekken en zinvolle uitstappen met mensen die weten wat het is om jong, gedreven en ook een beetje verloren te zijn. Als ik wil afspreken met iemand, lijkt dat altijd zo beladen: je moet een versie van jezelf presenteren die je niet helemaal bent, of er wordt meteen verondersteld dat je een date wil met die persoon. Alsof dat de drijfveer moet zijn achter elk sociaal gebeuren. Hier is de waarheid: natuurlijk wil ik meer. Meer goede inzichten, meer perspectieven, meer mooie woorden, meer constructieve initiateven en meer mensen die mij dat allemaal kunnen geven. Ik doe voorzichtige pogingen om bepaalde mensen te benaderen en al die hoopvolle interacties eindigen met een: “We moeten binnenkort eens koffie drinken.” De ene vage afspraak wordt verlegd naar de andere vage afspraak, tot er uiteindelijk een van ons sterft.

Ik begrijp niet waarom mensen zichzelf zo afschermen terwijl we juist zoveel van elkaar kunnen bijleren. En tegelijk heb ik er natuurlijk wel begrip voor, alles in rekening genomen. Zoals ik al zei: ik weet niet goed waar ik precies moet beginnen. Het is een vreemd jaar. Zorgeloosheid is een risico geworden, blijkt uit recente gebeurtenissen. Ik heb geen emotionele tolerantie voor de harde manier waarop we elkaar behandelen en dat maakt mij langzaam maar zeker kapot. Ik kan ongeveer drie uurtjes per dag een perfect functionerende volwassen persoon zijn voor ik in tranen uitbarst over een of andere actuele gebeurtenis. Ik wil lang genoeg leven om te zien hoe deze wereld ondanks alles toch een betere plek wordt, maar ik wil niet lang leven en het tegendeel bewezen zien. Ik wil geloven dat deze wereld een goede plaats is, met goede mensen die goede bedoelingen hebben. Mijn empathie is mijn grootste kracht, en tegelijk maakt het mij ook heel mistroostig. You win some, you lose the will to live.

Ik probeer mezelf te zeggen: de echte ramp is wanneer we helemaal niets meer voelen. Maar ik betrap mezelf er soms op dat ik juist dat zou verkiezen. Niets voelen. Niets voelen telkens een nieuwe stad of nieuwe naam een hashtag wordt. Niets voelen telkens ik in het midden van de nacht opgebeld word met slecht nieuws. Niets voelen telkens de liefde die ik heb voor deze wereld de grootste oorzaak is voor de last om te leven in die wereld. Met grote ogen kijk ik naar alles wat gebeurt. Verbaasd hoor ik hoe mensen over elkaar spreken. Ik ben stil geworden. Dit zijn de vragen die ik iedereen wil stellen als ik lang zwijg, geïnspireerd op het werk van een Franse artieste waarvan de naam mij helaas ontgaat: wanneer ben jij voor het laatst gestorven? Wat krijgt jou nog uit bed in de ochtend? Wat is er geworden van je kindertijddromen? Wat onderscheidt jou van alle anderen? Hoe ga jij helpen? Wat ontbreekt er in jouw leven? Denk je dat iedereen een kunstenaar kan zijn? Waar sta je nu in het leven en wat heb je daarvoor moeten opgegeven? Of wie? Wat doe je met je geld? Waar kom je voor op? Wat maakt jou verdrietig? Ben je in staat om iets te weigeren? Wat is het meest kwetsbare deel van je lichaam? In welke vorm zou je willen terugkeren naar deze wereld? Of wil je net voorgoed van deze wereld verdwijnen? Waarom? Wat zou er op je grafzerk staan?

“Beloof mij dat je binnenkort, als alles achter de rug is, je de tijd neemt om te rusten. Ik maak mij zorgen als ik je zo hoor”, zei een vriendin toen ik haar vluchtig sprak. Ik weet het. Er hangt iets in de lucht en het waait maar niet over. Ik open mijn inbox en kruis mijn vingers, hopend dat er niet nog iemand is die iets van mij nodig heeft, die iets van mij verwacht, die mij wil spreken zonder naar mij te luisteren. Ik vraag mij af hoe het voelt wanneer mijn inbox leeg is, alle deadlines achter de rug zijn en ik niet constant aan de dood denk. Ik heb liefde, begrip en geduld voor iedereen, behalve mezelf. Ons leven is uniek, waardevol en prachtig en mijn brein is blijkbaar vastberaden om elk moment daarvan te verspillen door te piekeren. De samenleving zei dat ik gewoon mezelf moest zijn en toen ik dat eindelijk deed, was het plots van: “Nee, nee, niet zo.” Ik schreef daar, zoals jullie al weten, het afgelopen jaar een boek over dat binnenkort uitkomt: “Dik. Lelijk. Wijf.”. Begrijp mij niet verkeerd: het leven is een mirakel en ik ben dankbaar, maar dat addertje onder het gras waarbij we het moeten doorbrengen in een lichaam dat vervormt, uitzet, krimpt en aftakelt is toch net iets minder tof. Ik leef gewoon mijn leven terwijl ik wou dat ik een wolk was, of een bloem, in plaats van een persoon met een lichaam.

Nu ik dat allemaal verteld heb, wil ik alleen maar zeggen dat ik nog steeds hier ben. Een beetje overweldigd. Een beetje verdrietig. Een beetje gelukkig. Mijn kleine leven en mijn kleine wereld popelen nog steeds om te communiceren met de grotere levens en de grotere werelden die er zijn. Om te beginnen met mijn boek, maar vooral door heel veel te lezen, door te schrijven en te praten met mensen die mij een unieke, nieuwe kijk op het leven kunnen geven. Dat is het enige wat mij een beetje voeling geeft met mezelf en de wereld. En ik probeer om dat gevoel te bewaren voor wanneer het gevoel ontbreekt. Tot binnenkort.

Een zinvolle puinhoop

Cut your wrists and end this bullshit. Het is een anoniem bericht dat ik een jaar geleden kreeg via deze blog. Als ik mijn mannelijke vrienden vertel dat iemand me zo’n haatdragend bericht stuurde omdat ik over mezelf heb geschreven, schrikken ze meestal. De vrouwen reageren anders. Ze knikken begripvol. Ze rollen met de ogen. Ze zijn het gewoon. “Men often react to women’s words – speaking and writing – as if they were acts of violence; sometimes men react to women’s words with violence. So we lower our voices. Women whisper”, schreef Andrea Dworkin al in de jaren 1980. Ik wil mezelf niet kleiner maken of terugtrekken. Maar ik wil ook niet het mikpunt van blinde haat zijn. Dus we leren om over onze ervaringen te zwijgen. En ik wil niet zwijgen.

Mijn eerste boek is geschreven met veel zorg en het wordt nagelezen door een fantastische uitgever die met evenveel zorg die woorden benadert. Het is hard werken. Het is schrappen, herschikken en opnieuw beginnen. Ik wil heel hard werken aan een verhaal dat mensen aanspreekt, maar ik kan mijn perspectief niet zo hard verbuigen dat het afwijkt van wat ik denk of voel. Dan zou het niet meer mijn boek zijn. De teksten en boeken die mij het meeste geholpen hebben eindigen trauma niet met triomf. Ze zeggen niet: “Kijk eens hoe schoon ik overleef.” De teksten en boeken die mij het meeste geholpen hebben bestuderen wat het betekent om te leven, niet overleven. Een puinhoop is zinvol, je kan er zoveel vinden.

Een van de grootste voordelen aan schrijven over jezelf is dat het een duidelijk patroon geeft aan de wanorde in je hoofd. Maar mijn teksten zijn geen ‘emotionele porno’, een verwijt dat ik ooit kreeg van een ex. Mijn teksten zijn ook geen pathetisch zelfmedelijden, een ander anoniem verwijt aan mijn adres. Mijn teksten zijn gestructureerde chaos, mijn eigen poging om iets moois te maken. “Ik heb bewondering voor het openlijk uitvechten van het persoonlijke. Omdat je mooi schrijft lijkt het soms eenvoudig, maar zaken die eenvoudig lijken zijn vaak gecompliceerd en gevoelig. Het vergt moed. Daarmee help je me”, reageerde de lieve Lieneke Prins, die mij al lang volgt, op de Facebookpagina van deze blog. Ik moedig iedereen, vrouwen en mannen, aan die de moed heeft om een verhaal te delen dat heel echt en heel moeilijk is om over te praten. Vooral als ze weten dat er harde kritiek kan komen wanneer het gedeeld wordt. Je krijgt het meest krachtige materiaal als je schrijft in de richting van extremen. Wij vinden onze menselijkheid terug in onze moeilijkste momenten.

Ik ben gedreven door het verlangen om schoonheid en waarheid te geven aan mijn ervaringen, in de hoop dat iemand anders het ook zo zal zien. Ik schrijf in de richting van de pijn. Ik schrijf in de richting van schoonheid. Door dat te doen, voel ik mij beter, sterker. Voor de duidelijkheid: de al dan niet traumatische ervaringen van mensen zijn geen toegangsticketje tot een of andere geheime club van auteurs. Het verhaal is belangrijk, maar het moet ook geschreven worden. Dat gaat niet gemakkelijk of vanzelf. Ik heb er een hekel aan als iemand zegt dat het gemakkelijk is om over jezelf te schrijven. Neen. Dat is onzin. Jouw ervaringen maken je geen goede schrijver. Je harde werk maakt je een goede schrijver. “Write so blazingly good that you can’t be framed. Not like a girl. Not like a boy. Write like a motherfucker”, adviseert Cheryl Strayed. Een quote die boven mijn bureau hangt. Het eerste wat ik zie voor ik een document open. Schrijf het neer. Zo goed als je zelf kan. Doe het werk. En als iemand jouw werk in twijfel trekt, dan werk je nog harder. Write like a motherfucker.

 

Lijnen, punten en willekeurige verbindingen

De laatste tijd denk ik veel na over wat ik van mezelf achterlaat op papier, en of dat een goede beslissing is. Het maakt me onzeker. En ik ben nog nooit onzeker geweest over mijn vermogen om iets te verwoorden. Ik schrijf mezelf uit elke situatie. Dat is mijn oplossing voor alles. Dus toen de inkt stopte met vloeien, voelde ik mij een beetje in de steek gelaten door mezelf. Inspiratieloos is het woord niet. Ik heb ideeën. Ik zie ze voor mij: lijnen en punten die willekeurig verbinding met elkaar zoeken. Maar als ik ze krampachtig probeer vorm te geven, stort alles in elkaar als een wankele blokkentoren. Het spanningsveld tussen wat ik wil zeggen en wat ik niet gezegd krijg maakt mij ongeduldig. “Ik wil niet dat je achter je computer zot zit te worden!” waarschuwde mijn uitgever. Ze heeft gelijk. Ik wil alles meteen goed doen. Perfect. Ik ben gebrekkig en kan dat maar moeilijk aanvaarden.

Perhaps what is inexpressible – what I find mysterious and am not able to express – is the background against which whatever I could not express has its meaning”, schreef Wittgenstein. Het onuitspreekbare zit verborgen in alles wat al uitgesproken is. Ik denk vaak dat wat ik te zeggen heb nooit genoeg kan zijn. Mijn gedachten spreken een taal die ik niet op papier kan zetten. Maar als je veronderstelt dat het onuitspreekbare – dat wat je zelf moeilijk kan uitdrukken – verborgen zit in het uitgesproken, dan elimineer je in zekere zin de angst over het onvermogen om bepaalde dingen uit te drukken in woorden, de angst dat de echte betekenis de woorden zou ontgaan. Woorden volstaan. Zelfs als je iets niet kan benoemen.

Schrijven is dus nooit het probleem geweest. De structuur van mijn boek wringt echter nog. Ik wil dat alles vlot leest, dat het rustig kabbelt. Maar ik ben een spraakwaterval. Eens ik begin te praten over iets waar ik gepassioneerd over ben, stop ik niet en na een tijdje weet ik niet meer waar ik begonnen was of waar ik naartoe wou met mijn verhaal. Als ik te veel in mijn hoofd zit, moet ik er weer uit. Zo simpel is het. Ik wil reizen, maar dat is een luxe die ik me nu niet kan veroorloven. Dus ik doe dingen om mij af te leiden. Ik ga een blokje om lopen. Ik werk heel hard aan heel veel opdrachten tegelijk. Ik luister naar mijn favoriete playlist. Ik laat mij inspireren door onverschrokken vrouwen die hun talent delen met de wereld. Dat kan gaan over het nieuwe album van Beyoncé, een prachtig blogbericht of een vriendin die een leuke job krijgt. Ik lees en herlees het nieuwste artikel van Joan Didion, waarin ze zegt: “I am trying to place myself in history. I have been looking all my life for history and have yet to find it.” En ik denk: ik ook, Joan. In The Blind Assassin van Margaret Atwood lees ik: “If you get hungry enough, they say, you start eating your own heart.” Ik snap wat ze bedoelt. Echt. Tot binnenkort.

 

13153275_10153740693252736_550331820_n (1)

Illustratie: The Pencils Of Eline

Dit wou ik jullie nog vertellen

Soms denk ik dat we van bij onze geboorte al weten wie we willen zijn in dit leven, dat als we heel goed opletten en aandacht besteden aan de juiste dingen, we die informatie vroeg hebben. En dat we met die kennis ons leven uitstippelen naar een bepaald eindpunt. Af en toe schrappen we de lijnen omdat we tegen bepaalde marges opbotsen. Maar altijd hebben we dat eindpunt voor ogen. Het is gewoon een kwestie van tekenen en hertekenen. Dat ik wou schrijven, weet ik al heel lang. Dat ik mag schrijven, is een ander verhaal.

De knipperende cursor en ik vechten de laatste maanden een epische strijd uit. De inzet is groot. Ik wik en weeg woorden zorgvuldig. Dit moet juist zitten. Dit moet goed zijn. Ik neem geen genoegen met minder. Ik vermoei mezelf. Ik hoor in mijn hoofd hoe ik klink, weet hoe ik overkom en ik erger me aan mezelf. Ik wil trots en moedig en sterk zijn. Dat ben ik. Maar ik ben ook doodsbang. Dit wou ik jullie nog vertellen: ik schrijf een boek. Een boek over mij en mijn lichaam. Eind augustus brengt Borgerhoff & Lamberigts “Dik. Lelijk. Wijf.” uit. Geschreven door mij. Voor mij, maar vooral voor jullie. Het wordt een non-fictie boek waarin ik mijn ervaringen met bodyshaming bundel. In een aantal persoonlijke essays probeer ik de moeilijke relatie met zelfbeeld te plaatsen.

En ik ben doodsbang. Dat ik hierover zou schrijven, had ik nooit gedacht. Nooit. “There is nothing gutsier to me than a person announcing that their story is one that deserves to be told, especially if that person is a woman”, schreef Lena Dunham in haar boek. Het voelt goed om dit eindelijk met jullie te delen. Ik heb mij zo zenuwachtig, onzeker en alleen gevoeld de laatste tijd. Jezelf blootstellen, zelfs als je ervoor kiest, blijft heel erg moeilijk. De woorden jagen mij angst aan. Ik ben bang voor wat ik neerschrijf. Ik ben bang voor hoe het boek zal ontvangen worden. Ik ben bang dat niemand zit te wachten op dit boek. En ik ben tegelijk bang dat iedereen het zal lezen. Ik ben bang voor de haatdragende reacties die mij de vorige keer zo gekwetst hebben. Ik ben ook maar een mens. Maar dat zien ze niet. Ik ook niet. Dat is misschien het echte probleem.

Tussen alle rommel op mijn bureaublad staat er dus al een tijdje een blinkend icoontje met de titel manuscript_progress.docx. En dat is waarschijnlijk de beste omschrijving. Het boek is een proces dat jullie kunnen volgen. Ik heb al veel over mezelf geleerd tijdens het schrijven van dit boek. Ik denk dat ik dit boek nodig had om mezelf op de vingers te tikken. Om zachter, liever en milder te zijn voor het lichaam waar ik al te lang te hard voor ben. En het is genoeg geweest. Echt. Ik ben op. Daarover zal dit boek gaan. Tot binnenkort.