Goede mensen

Het is heel moeilijk om goed te zijn. Om de vuile was op te rapen in plaats van het te laten ophopen in een hoekje op de vloer. Om de afwas effectief te doen en het niet te laten opstapelen rond het aanrecht. Om de boodschappen uit de verpakking te halen en netjes in kasten te bewaren. Om de rekeningen niet net iets langer dan nodig in de brievenbus te laten liggen. Om stapeltjes boeken, overal verspreid, in rekken te rangschikken. Eerst volgens grootte, later volgens auteur. Het zonlicht vangt het stof, waar het een ballet van ordeloosheid danst in een straal die langzaam, gedurende de dag, over het parket glijdt. Je doet niets, of zeer weinig, om de ruïnes in je huis aan te pakken.

Thuis is het toegestaan om slecht te zijn. Niemand houdt een score bij. Niemand controleert of je braaf je bord leeg hebt gegeten. Zeven dagen binnen, zonder enig contact met de buitenwereld, en je bent toch niet teruggetrokken. Je bent veilig. Je neemt tijd voor jezelf. Je rust. Je leest het nieuws niet. Je scrollt niet door tijdlijnen. Je doorspit geen opiniepagina’s. Je probeert niet meer te begrijpen hoe we hier beland zijn, of waarom. De knoop ontwarren vraagt te veel energie. Je wil niet meer hopen tegen beter weten in. Je weet beter, en je wou dat het niet zo was. Patronen laat je links liggen. Je legt je neer bij het feit dat niets het onvermijdelijke kan voorkomen, en je zondert je af in het belang van het behoud van je geestelijke gezondheid. Het scherm vervang je door een raam. Het raam wordt een muur. De muur blijft.

Een man met macht neemt woorden in de mond alsof ze niets betekenen. ‘Wat wil hij zeggen wanneer hij spreekt? Wat betekent het allemaal?’ vraagt een buitenlandjournalist. Niemand kent het antwoord. Niemand weet wat hij bedoelt. De teruggang van taal doet pijn. Daarom schrijf je. De enige manier die je hebt om op de hoogte te blijven zonder verontwaardiging en woede je leven te laten overheersen, is alles op papier zetten. Het voelt aan als liefde. Of wat ervoor doorgaat. Tussen de zinnen is een plek waar je misschien iets waardevols kan produceren. Iets dat je mee kan nemen als je terugkomt. Waar je bent, weet je zelf ook niet. Je probeert desondanks om het precies en waarachtig uit te drukken. Het is een vorm van verzet, vind je. Maar alles wat je uitwerkt blijft in notitieboekjes, in documenten vol witregels, en vooral ongelezen.

Aan de andere kant van de wereld zegt een senator dat Joden geen echte mensen zijn. Nog een kerel noemt zwangere vrouwen eigendom van echtgenoten. ‘Ze moeten de gevolgen van hun daden dragen’, meent hij. Een vrouw spreekt de waarheid uit en verliest haar job. In eigen land besluit een politicus dat iedere verdachte vreemdeling ook zonder proces uitgewezen kan worden. Het is te veel tegelijk om te begrijpen. Op het werk ben je omringd door mannen, honderden mannen die zich allemaal afvragen waarom jij een vrouw bent. Je sleept je naar iedere vergadering en je overtuigt jezelf dat jij daar thuishoort. Je gelooft het amper. Na een meeting wandel je langs het bureau van een vriend die pas in het gebouw werkt. Je drukt een klapzoen op zijn wang en hij schrikt op. ‘Ik word niet elke dag gekust door een vrouw’, lacht hij nadat je je uitgebreid hebt verontschuldigd. Je denkt: dit is de liefste jongen die ik ken. Je denkt: hoe kan ik hem beschermen? De volgende ochtend word je wakker naast een vriendin. Terwijl zij slaapt, schrijf je dit allemaal neer. Als ze naast je komt staan, in de zon voor het raam, besef je dat ze nog nooit zo knap geweest is als nu. De wijnfles op de schouw is niet eens leeg.

Miljoenen vrouwen komen op straat. Overal. Ze eisen hun lichaam terug. Ze weigeren toe te geven aan discriminatie, van welke soort ook. Je voelt je begrepen maar eenzaam. Een vriendin vraagt je mee naar een protest. De straat is waar mensen hun ongenoegen kanaliseren. ‘Ik moest hier gewoon zijn’, legt ze uit. ‘Ik word elke ochtend bang wakker’, biecht ze op. Ze spreekt ernstig en eerlijk. Ze kiest haar woorden met grote zorg. Ze praat uitgebreid over onderwerpen die iets in haar teweeg brengen: ongeloof, onmacht, mededogen en, tenslotte, ook hoop. Ze is hartverscheurend en bewonderenswaardig duidelijk, ondanks haar twijfels. Je kijkt naar haar, hoe ongelooflijk prachtig ze is, en je bent opgelucht om te weten dat ze net als jij is op dit moment: verward en kwetsbaar, maar voorzichtig positief. Je leest de slogans op de borden en je ziet overal hetzelfde terugkomen. Iedereen voelt zich alleen. Dat doen we samen.

Je denkt: misschien was het vroeger echt wel beter. Het verleden is een vreemde plaats. Als je er te veel tijd doorbrengt, ga je tegen je eigen leven in. De lijken vallen uit de kast en je kust ze, omhelst ze, wil ze niet loslaten. Het is emotionele necrofilie. Hier is alles begrensd. Het is geruststellend. De mensen kunnen niet meer evolueren. Niemand gaat vooruit, wat ook betekent dat niemand achteruit gaat. Het is een perfect antigif voor de rusteloosheid die zich maanden geleden al in de plooien van je huid nestelde. Niemand maakt nog nieuwe fouten, niemand leert iets bij. Het is heel eenvoudig om de doden te vergeven. Het is heel simpel om ze te bewonderen. Je wil terug kind zijn, terug samen oud worden. Nostalgie naar je jeugd is het verlangen naar een tijd waarin je nog zeker wist dat je alles kon overleven. Maar zo werkt het niet, leer je met het ouder worden. Het leven is te luid, te aanwezig en, uiteindelijk, ondraaglijk. Maar mooi.

Je bent vaak onderweg. Je moet praten. Je brengt elke avond door in de woonkamer van een andere vriend of kennis, alsof dat de beste oplossing is voor een verbrijzeld leven: van plaats naar plaats trekken, in een poging locaties en mensen aan elkaar te rijgen en in de hoop dat je jezelf daar ergens tegenkomt. Iedereen stopt glazen rode wijn in je hand, terwijl je het liefst witte lust. Ze vragen hoe het met je gaat zonder te wachten op het antwoord. Ze zeggen: ‘Het zal allemaal wel niet zo’n vaart lopen.’ Ze zeggen: ‘Hij is zo slecht nog niet.’ Als je thuis bent, kan niemand je vinden. Je botst per ongeluk tegen muren en je voelt je onzichtbaar. Blauwe, paarse en vaag gele plekken verschijnen als sterrenstelsels op je schouders, je armen, je benen. Wanneer je eindelijk gaat slapen, kijk je naar de groene bolletjes naast de namen op je telefoon. Het is een geruststelling om te weten dat iedereen online is.

Als het lukt, vul je je appartement met mooie mensen. Je ziet ze allemaal verschrikkelijk graag. Ze brengen wijn en woorden met zich mee, niet noodzakelijk in die volgorde. Ze dansen, ze zingen en ze vragen zich af hoe we nu verder moeten. De volgende dag stuurt een vriendin je een foto van een ziekenhuisbed en je stopt eventjes met ademhalen. Niet veel later stort iemand anders in omdat ze niet meer wil eten. ‘Ik ben bang dat het weer uit de hand zal lopen’, snikt ze. Iemands ouders gaan scheiden. Een vriend woont sinds kort in Milaan en heeft heimwee. Elke avond stuurt hij je de uren van vluchten die vertrekken vanuit Brussel. Harten worden gebroken. En al die pijn die niemand ziet, is zo zichtbaar voor jou. Je weet niet wie je eerst moet troosten. Je wou dat je niets gaf om niemand. Je bent constant bang om iedereen te verliezen. Het is verstikkend. De persoon aan wie je alles wil vertellen is afstandelijk. ‘Je maakt mij bang als je me vraagt om je te vertellen over wat mij gelukkig maakt’, zegt hij, ‘Ik denk altijd dat je aan de rand van de afgrond staat.’ Je staart naar de grond.

Zijn vriend komt een hele dag bij jou werken. De stilte voelt niet lastig aan. Het tikken van zijn toetsenbord is als het tikken van de regen tegen de ruit: rustgevend, vertrouwd. Jij schrijft. Hij werkt aan zijn thesis. ‘Op mijn school heeft iedereen een vijfjarenplan’, vertelt hij, ‘En ik heb enkel zicht op de volgende twee uur van mijn leven. Wat daarna komt, weet ik niet.’ Hij heeft een toekomst, weet je, en die zal prachtig zijn. Je deelt een ruimte met hem waarin je anders op je eentje bent. Je staat hem toe dat hij vragen stelt. ‘Alles bij elkaar genomen ben ik redelijk gelukkig’, geef je toe, alsof geluk aan rede gebonden kan zijn.

Hij wil weten of je goed bent in alleen zijn. Je mist hem terwijl hij nog naast je zit. Dat zeg je niet. Je geeft niet prijs dat je wil dat mensen zich comfortabel voelen in je buurt, of dat je de zorgen van iedereen die je ontmoet wil verlichten. Je haalt je schouders op; je gezichtsuitdrukking verraadt niets. Hij wikkelt zich in het zwarte deken dat naast de pastel roze sofa ligt. ‘Je moet het mij zeggen als het te koud wordt’, waarschuw je voor de derde keer, ‘Ik zet de verwarming niet vaak op zodat ik kan besparen.’ Nooit heb je genoeg geld. Hij rilt en zegt dat het prima is zo. Dat is wat je altijd doet: je merkt gedrag op, je analyseert handelingen, en je articuleert ze nadien met een perfecte helderheid. Het stelt niet veel voor, maar erna lijkt het allemaal een beetje overzichtelijker.

Wanneer je verloren loopt in jezelf, schuilt zekerheid in dat soort bevestigingen. In alle details dubbelchecken. In voorzichtig vragen: ‘Beloofd?’ En geloven dat die belofte niet gebroken kan worden enkel en alleen omdat je het vroeg en zij ja zeiden. In een laatste bericht voor het slapengaan, ook al is niet alles uitgepraat of uitgesproken. In je hartslag, meer dan 100.000 keer per dag. Ook wanneer je wakker wordt en een naam in een blauwe tekstballon het eerste is wat je ziet. Ook wanneer je de voetstappen telt van de persoon die ’s nachts op straat achter je loopt. Ook wanneer ze achteraf vragen waarom je in godsnaam op die plaats was, op dat uur, alleen. Ook wanneer je nagels in je huid boren. Ook wanneer de administratie van het leven je passies transformeert in facturen, boetes en postzegels. Ook wanneer je fouten maakt. Kleine fouten die enorm groot lijken. Grote fouten die je klein krijgen. Ook wanneer je niemand wilt zien. Ook dan klopt het. Ooit zal dat stoppen. Ons hart is een tikkende tijdbom, een wapen de grootte van een vuist.

Wat een buitengewoon normale levens leiden wij dus, alles in beschouwing genomen. We zijn zo gemanierd. Alles staat op de juiste plek. We doen allemaal ons best. Om ons lichaam zich niet te laten misdragen. Om onze gedachten niet te laten ontrafelen. We slikken vitamines en niemand steelt iemands vriendje. Iedereen zegt sorry op het juiste moment en als we artikels lezen op het internet, zal er altijd iemand zuchten: ‘Ik wou dat er meer diversiteit was in de media.’ Iedereen zal heftig knikken. We zijn positief over het lichaam van anderen. We zijn positief over elkaars seksualiteit. We zien geen gender, kleur of nationaliteit. We doen ons best om wat we niet begrijpen verstaanbaar te maken door slimme vragen te stellen. En ondanks alles aarzelen we geen seconde wanneer we onverwacht vreugde voelen. We geven er meteen aan toe. We hebben onszelf er bijna van overtuigd dat we goede mensen zijn. Misschien is dat een manier van terugvechten.

Dit is echt gebeurd

Je bent net als ik verbaasd. Je weet niet wat je moet zeggen, denken of voelen. Je bent uit balans en wankel. Je had geen idee dat dit zou gebeuren. Dat dit echt zou gebeuren. Dat mensen werkelijk zouden toegeven aan racisme, homofobie, seksisme, misogynie, massamanipulatie, intolerantie en haat. Dat mensen werkelijk een aanrander boven een capabele vrouw zouden verkiezen. Als je kwaad bent, is dat terecht. Ik ben ook kwaad. Ik ben verdrietig. Ik werd deze ochtend wakker en durfde mijn ogen niet meteen te openen, in mijn hoofd malend: dit is echt gebeurd. De rest van de dag ben ik misselijk. Ik ben bang. Ik ben diep ontgoocheld. Ik denk aan alle mensen waar ik van hou, hoe eenzaam en onbegrepen zij zich hierdoor voelen. En ik voel mij bedrogen. Jij snapt het. Ik weet dat jij het snapt. Je hebt net als ik nog even tijd nodig. Je wil nog niet “kijken naar de onderliggende motieven van de frustraties”. Je wil nog niet horen hoe “dit een duidelijk signaal is”. Je wil niet smalend aangemaand worden om “hem een kans te geven”. Je wil niet uitgelegd krijgen hoe dit een “volksopstand” is die “een nieuwe tijd introduceert”, een “bewust verzet van ontheemden die zich opzij geschoven voelen”.
Je denkt: deze situatie is uitzichtloos.

Op 18 januari 1915, toen de Eerste Wereldoorlog al zes maanden woedde, schreef Virginia Woolf in haar dagboek: “De toekomst is donker, wat, alles in beschouwing genomen, het beste is dat de toekomst kan zijn.” Donker, schreef ze. Niet ondraaglijk of ondenkbaar. Maar donker. In tegenstelling tot wat je nu denkt, is dat goed. Natuurlijk ben je bang. Maar wat is er nieuw aan die ervaring? Niets. Helemaal niets. Het is saai. Het is meer van hetzelfde: angst in een wereld vol angst. In het derde Potterboek schreef J.K. Rowling: “Geluk kan zelfs in de donkerste tijden gevonden worden als je maar herinnert om het licht aan te steken.” Geluk kan zelfs in de donkerste tijden gevonden worden. Dat is hoop. En ik weet dat hoop tegenwoordig een oubollig concept lijkt, maar het is zoveel moediger dan het alternatief. Want hoop vereist interactie met het onbekende. Het daagt je uit om na te denken over oplossingen. Hoop dwingt je om je aan te passen. Het verplicht je om het licht aan te steken, zelfs in de donkerste tijden.

Zoveel is veranderd in het donker. Zoveel vooruitgang is geboekt, zelfs wanneer we dachten dat alles grimmig was. Geschiedenis is niet zomaar een opeenstapeling van grote oorzaken en gevolgen. Soms kan een enkele persoon het verschil uitmaken. Soms inspireren de woorden en daden van die ene persoon een hele beweging. Hun stem zo luid dat de aarde trilt. Soms verzetten zij bergen. Ik wil jullie zeggen dat het allemaal belangrijk is. Iemand steekt de straat over. Iemand zegt hallo tegen een vreemde. Iemand koopt bloemen. Iemand luistert naar een verhaal. Iemand vouwt handdoeken. Iemand speelt het spel eerlijk. Iemand vraagt hulp. Iemand herinnert zich een verjaardag. Iemand houdt de deur open. Iemand gaat eerst. Iemand gaat laatst. Ik kijk naar die goede mensen, met goede bedoelingen en het universum lijkt niet zo beklemmend meer. Omdat zij mijn wereld elke dag veranderen.

Dat is hoop. En hoop is niet oubollig, klef of naïef. Hoop is interessanter dan angst. Doemdenken is een vorm van zekerheid, de zekerheid dat alles slechter zal worden. Dat krijg je constant bevestigd. Dat is gemakkelijk. Hoop is geloven dat het ook anders kan, dat een betere wereld niet gegarandeerd, maar wel mogelijk is. Ondanks alles. Hoop is een enorme gok. Het risico op teleurstelling is groot. Oorlogen zullen uitbreken, de planeet zal blijven opwarmen en onverdraagzaamheid dringt tot diep in onze levens binnen. Maar hoe erg dat uit de hand loopt, hangt af van ons vermogen om te hopen dat we er iets aan kunnen doen. Beseffen ook dat wij misschien een deel van het probleem zijn. Dat wij te comfortabel waren door onze privileges, blind. Daar iets aan willen doen. Echt iets aan willen doen. Eindelijk. En daar dan naar handelen. Deze situatie is niet uitzichtloos. Ja, de toekomst is donker. Maar, alles in beschouwing genomen, is dat het beste wat de toekomst kan zijn. I’m still with her

Voor wanneer het gevoel ontbreekt

Ik weet niet goed waar ik precies moet beginnen. Het is een vreemde zomer. Ik zag de zon ondergaan op Sunset Boulevard, in West Hollywood, waar ik naar de sterren keek en niemand mijn naam kende. Op de vlucht naar Los Angeles zat ik naast een industrieel ontwerper uit Stockholm met wie ik zeven uur lang sprak over passie voor je job. Op de vlucht terug naar België zat ik naast een jonge vrouw uit Californië die voor een half jaar naar Rome verhuisde en de taal nog niet machtig was. Ze telde tot tien in het Italiaans terwijl ze in slaap viel. Op het dakterras van The Beverly Hilton sprak ik met een collega over de link tussen verdraagzaamheid en terreur, en hoe de som van die dingen altijd liefde zou moeten zijn. Met een andere collega sprak ik over hoe moeilijk het is om als jonge vrouw met veel ambitie in de media te staan.

De energie die ik van zulke gesprekken krijg is zeer belangrijk. Ik heb het moeilijk om contact te leggen met creatieve mensen. Ik heb nood aan waardevolle gesprekken en zinvolle uitstappen met mensen die weten wat het is om jong, gedreven en ook een beetje verloren te zijn. Als ik wil afspreken met iemand, lijkt dat altijd zo beladen: je moet een versie van jezelf presenteren die je niet helemaal bent, of er wordt meteen verondersteld dat je een date wil met die persoon. Alsof dat de drijfveer moet zijn achter elk sociaal gebeuren. Hier is de waarheid: natuurlijk wil ik meer. Meer goede inzichten, meer perspectieven, meer mooie woorden, meer constructieve initiateven en meer mensen die mij dat allemaal kunnen geven. Ik doe voorzichtige pogingen om bepaalde mensen te benaderen en al die hoopvolle interacties eindigen met een: “We moeten binnenkort eens koffie drinken.” De ene vage afspraak wordt verlegd naar de andere vage afspraak, tot er uiteindelijk een van ons sterft.

Ik begrijp niet waarom mensen zichzelf zo afschermen terwijl we juist zoveel van elkaar kunnen bijleren. En tegelijk heb ik er natuurlijk wel begrip voor, alles in rekening genomen. Zoals ik al zei: ik weet niet goed waar ik precies moet beginnen. Het is een vreemd jaar. Zorgeloosheid is een risico geworden, blijkt uit recente gebeurtenissen. Ik heb geen emotionele tolerantie voor de harde manier waarop we elkaar behandelen en dat maakt mij langzaam maar zeker kapot. Ik kan ongeveer drie uurtjes per dag een perfect functionerende volwassen persoon zijn voor ik in tranen uitbarst over een of andere actuele gebeurtenis. Ik wil lang genoeg leven om te zien hoe deze wereld ondanks alles toch een betere plek wordt, maar ik wil niet lang leven en het tegendeel bewezen zien. Ik wil geloven dat deze wereld een goede plaats is, met goede mensen die goede bedoelingen hebben. Mijn empathie is mijn grootste kracht, en tegelijk maakt het mij ook heel mistroostig. You win some, you lose the will to live.

Ik probeer mezelf te zeggen: de echte ramp is wanneer we helemaal niets meer voelen. Maar ik betrap mezelf er soms op dat ik juist dat zou verkiezen. Niets voelen. Niets voelen telkens een nieuwe stad of nieuwe naam een hashtag wordt. Niets voelen telkens ik in het midden van de nacht opgebeld word met slecht nieuws. Niets voelen telkens de liefde die ik heb voor deze wereld de grootste oorzaak is voor de last om te leven in die wereld. Met grote ogen kijk ik naar alles wat gebeurt. Verbaasd hoor ik hoe mensen over elkaar spreken. Ik ben stil geworden. Dit zijn de vragen die ik iedereen wil stellen als ik lang zwijg, geïnspireerd op het werk van een Franse artieste waarvan de naam mij helaas ontgaat: wanneer ben jij voor het laatst gestorven? Wat krijgt jou nog uit bed in de ochtend? Wat is er geworden van je kindertijddromen? Wat onderscheidt jou van alle anderen? Hoe ga jij helpen? Wat ontbreekt er in jouw leven? Denk je dat iedereen een kunstenaar kan zijn? Waar sta je nu in het leven en wat heb je daarvoor moeten opgegeven? Of wie? Wat doe je met je geld? Waar kom je voor op? Wat maakt jou verdrietig? Ben je in staat om iets te weigeren? Wat is het meest kwetsbare deel van je lichaam? In welke vorm zou je willen terugkeren naar deze wereld? Of wil je net voorgoed van deze wereld verdwijnen? Waarom? Wat zou er op je grafzerk staan?

“Beloof mij dat je binnenkort, als alles achter de rug is, je de tijd neemt om te rusten. Ik maak mij zorgen als ik je zo hoor”, zei een vriendin toen ik haar vluchtig sprak. Ik weet het. Er hangt iets in de lucht en het waait maar niet over. Ik open mijn inbox en kruis mijn vingers, hopend dat er niet nog iemand is die iets van mij nodig heeft, die iets van mij verwacht, die mij wil spreken zonder naar mij te luisteren. Ik vraag mij af hoe het voelt wanneer mijn inbox leeg is, alle deadlines achter de rug zijn en ik niet constant aan de dood denk. Ik heb liefde, begrip en geduld voor iedereen, behalve mezelf. Ons leven is uniek, waardevol en prachtig en mijn brein is blijkbaar vastberaden om elk moment daarvan te verspillen door te piekeren. De samenleving zei dat ik gewoon mezelf moest zijn en toen ik dat eindelijk deed, was het plots van: “Nee, nee, niet zo.” Ik schreef daar, zoals jullie al weten, het afgelopen jaar een boek over dat binnenkort uitkomt: “Dik. Lelijk. Wijf.”. Begrijp mij niet verkeerd: het leven is een mirakel en ik ben dankbaar, maar dat addertje onder het gras waarbij we het moeten doorbrengen in een lichaam dat vervormt, uitzet, krimpt en aftakelt is toch net iets minder tof. Ik leef gewoon mijn leven terwijl ik wou dat ik een wolk was, of een bloem, in plaats van een persoon met een lichaam.

Nu ik dat allemaal verteld heb, wil ik alleen maar zeggen dat ik nog steeds hier ben. Een beetje overweldigd. Een beetje verdrietig. Een beetje gelukkig. Mijn kleine leven en mijn kleine wereld popelen nog steeds om te communiceren met de grotere levens en de grotere werelden die er zijn. Om te beginnen met mijn boek, maar vooral door heel veel te lezen, door te schrijven en te praten met mensen die mij een unieke, nieuwe kijk op het leven kunnen geven. Dat is het enige wat mij een beetje voeling geeft met mezelf en de wereld. En ik probeer om dat gevoel te bewaren voor wanneer het gevoel ontbreekt. Tot binnenkort.

Het geluk van andere mensen

De laatste weken zijn ingewikkeld en tegelijk interessant geweest. Ik heb moeite om te wennen aan de nieuwe persoon die ik geworden ben: afgestudeerd, op zoek naar een job die bij mij past en aan het uitpluizen wie ik wil zijn, waar ik wil zijn en wie ik bij mij wil terwijl ik dat allemaal doe. Het leven. Ik heb het gevoel dat het perspectief op wie ik ben en wat ik doe momenteel zo snel verandert. Het is wankel, het kan nog alle kanten uit. Ik kan nog alle kanten uit. Ondertussen doe ik de dingen waarvan ik weet dat ze mij helpen. Ik probeer om op andere manieren te schrijven, nog meer boeken te lezen en meer te luisteren naar nieuwe muziek. Ik omring mij met mensen die zulke bakens van creativiteit zijn dat ze de wereld lichter maken, ook al is dat voor hen één van de moeilijkste dingen om te doen. Ik weet dat, want het is ook moeilijk voor mij. De wereld is geen natuurlijk lichte plek. We hebben een zon nodig.

Er zijn zaken die ik wil leren, mensen die ik wil ontmoeten of weer wil zien. Ik wil meer tijd doorbrengen met reizen. Er is iets rustgevends aan het feit dat ik op een plaats ben die verschilt van wat ik elke dag te zien krijg of kan zien. Je hebt plots de tijd om jezelf en je gedrag in een andere omgeving te bestuderen en je leert dingen over jezelf. Goede dingen. Slechte dingen. Maar echt reizen kan ik mij niet veroorloven nu. Voorlopig hou ik het dus bij wat ik kan: steden in België, lopen door de Vlaamse velden en de lucht opsnuiven. Ik ben nooit dol geweest op het platteland. Als kind verhuisden we van de drukke stad naar de boerenbuiten. En ik hou nog steeds vooral van grote steden, hou van de gestructureerde chaos en de anonimiteit die er heerst. Alsof ik weer niemand mag zijn.

Tegenwoordig moet je constant iemand zijn en dat ook aan iedereen bewijzen. Dat is een tweesnijdend zwaard. Ik heb altijd al de drang gehad om dingen te creëren en om die dingen daarna te delen met mensen. Ik blijf het meisje dat zelf haar tekening met een ananasvormige magneet aan de koelkast pinde. Maar soms ben ik wat terughoudend en heb ik mijn bedenkingen bij al dat delen. Niet omdat ik vrees dat iemand mijn woorden zal stelen of mijn idee zal oppikken om het zinvoller in te vullen – zaken die het afgelopen jaar gebeurd zijn en waarschijnlijk zullen blijven gebeuren – maar omdat het je als persoon heel zichtbaar en heel kwetsbaar maakt.

En de laatste tijd is er een gedachte in mijn hoofd gekiemd. Ik weet niet zeker of het een egoïstische gedachte is. Maar het schiet wortel, het vertakt: “Ik vind het oneerlijk dat ik zoveel van mezelf prijsgeef aan bepaalde mensen die dat niet verdienen. Ik vind het oneerlijk dat andere mensen zo weinig prijsgeven aan mij terwijl ik dat wel verdien.” De voorbije jaren heb ik vooral gegeven, gegeven, gegeven. Ook al bleef ik daarna met lege handen achter, alleen. Ik neem nooit terug. Ik moet meer voor mezelf opkomen. Ik moet stoppen met mezelf tekort te doen. Er zijn zoveel manieren waarop we proberen om redenen te vinden waarom we als mens niet genoeg zijn, ontoereikend, niet in staat om iets te doen. Ik wil altijd beter zijn. Dat is deels een goede impuls natuurlijk: het is leren. Het is nieuwe dingen proberen en praten met andere mensen. Het is alleen de beste versie van jezelf toelaten om voor jou te handelen. En het is groeien.

Maar het is deels ook gevaarlijk, besef ik. We vergeten hoeveel we onszelf onder druk zetten om altijd maar te evolueren. Wij veroordelen onszelf als we niet snel genoeg vooruitgaan. Als we niet even snel even slim zijn als anderen. Niet even snel even succesvol. Niet even gemakkelijk even gelukkig. Ik veroordeel mezelf. Ik straf mezelf. Ik leg de lat onmetelijk hoog. En hoewel ik weet dat het me motiveert, kan het mij soms ook verlammen. Vergelijking is destructief. In mijn hoofd leef ik honderd levens die ik nu nog niet leef: mijn dromen en mijn ambities, de dromen en de ambities van anderen. Ik voer altijd competitie met het leven dat ik heb en het leven dat ik wil, het leven dat ik heb en het leven van anderen. Op den duur blijft er geen tijd meer over om gewoon te leven.

Onlangs las ik in het wondermooie rouwboek H is for Hawk van Helen Macdonald dit zinnetje: “We carry the lives we’ve imagined as we carry the lives we have, and sometimes a reckoning comes of all the lives we have lost.” Ik besef hoe ik mezelf vermoei door altijd zoveel verwachtingen mee te dragen over hoe mijn leven en mijn wereld er zou moeten uitzien. Ik besef hoe ik mezelf zo alleen maar tegenwerk.  Ik moet van mezelf vanaf nu eerst 10 stappen terugnemen voordat ik weer vooruit mag gaan. Ik moet aan mezelf vertellen: “Het succes van andere mensen is niet mijn falen. Het geluk van andere mensen is niet mijn verdriet. De wijsheid van andere mensen is niet mijn onwetendheid.” Ik herhaal het tot ik het zelf geloof. Het is niet omdat je niet staat waar anderen staan dat jij nergens staat. Je kan nog alle kanten uit. En misschien is heel even buiten de lijntjes kleuren het begin van een meesterwerk.

Pleidooi voor een trage zomer

Hot summer streets
And the pavements are burning
I sit around
Trying to smile
But the air is so heavy and dry

 – Cruel Summer, Bananarama

Zoveel mensen zijn geïnteresseerd in antwoorden, terwijl ik alleen maar vragen stel. Steeds opnieuw, het hele jaar door: “Waarom?” Soms voelt het alsof alles en iedereen even genoeg heeft van mijn gezeur, mij naar de hoek wijst en afgemeten snauwt: “Omdat ik het zeg.” In de zomer sluimert de onrust altijd een beetje. Alles is lomer, trager en feller verlicht, waardoor je de wereld net een beetje helderder kan beschouwen. De schaduw is niet meer beangstigend, maar net een plek waar ik dankbaar schuil. Misschien ben ik zo gevoelig voor het licht omdat ik me zo lang in het duister hulde. Misschien heb ik gewoon een sterkere factor zonnecrème nodig, een beschermend laagje tussen mij en de wereld.

Hoe hoger de temperaturen klimmen, hoe trager en zwaarder mijn hart klopt. Ik adem de hete lucht in en alles vanbinnen brandt. Ik brand. De vlammen likken en ik laat het toe, ik schreeuw niet om hulp. Want ik heb geen hulp nodig. Ik weet precies wat er gebeurt en waar ik ben. In de zomer sta ik stil en maak ik me minder druk over vragen of antwoorden. Ik kijk door het open raam en zie de fel verlichte wereld. Ik nip van dure drankjes, ik luister naar de muziek, ik voel het gras tussen mijn vingers en ik lach op achterbanken, steeds kijkend naar de mensen. Ze lachen terug. En ik denk: Waren we altijd zo gelukkig? Zullen we altijd zo gelukkig blijven?

Er is geen reis gepland deze zomer. Sommige mensen begrijpen het niet. Ze kijken er een heel jaar naar uit. Ze checken zich in bij grote hotelketens, ze posten foto’s van het pootjebaden. Zelfs in ons verlof strijden we tegen elkaar: de mooiste cocktail, de kleurrijkste strandhanddoek, de meest originele bestemming. “En ga jij nog op congé?” vragen ze gretig, een open deur naar een parelwit strand. Ik haal mijn schouders op: “Ik had wel wat dingen in gedachten, maar nee…” Mijn stem sterft weg, verdampt in de hitte, en ik lach verontschuldigend.

Neen, er is geen reis gepland. Het is geen kwestie van onder de kerktoren versus wanderlust. Ik hou zeker van reizen. Ik heb deeltjes van de wereld gezien. Het vliegtuig dropt je in het centrum van een nieuwe, eeuwenoude stad. De treinen sleuren je traag langs kronkelende wegen door het landschap. Auto’s zoeven over asfalt. Ik wil nog veel meer deeltjes van de wereld zien. Zeker als alles zo helder is. Ik wil een rode lijn zijn op een kaart die steeds verder weg lust van de plaats waar ik geboren ben.

Ik weet niet meer of ik het ergens heb gelezen, of het zelf heb bedacht, maar in elke nieuwe plek kijk ik ’s nachts op naar de sterrenhemel. En omdat ik geen verstand heb van die zaken, ziet die sterrenhemel er altijd precies hetzelfde uit: donker, met hier en daar vlekjes licht. Ik wil overal in de wereld komen, en daar mezelf weer vinden en besluiten dat ik er precies hetzelfde uitzie: donker, met hier en daar vlekjes licht. Voorlopig weet ik waar ik ben en waar ik eventjes zal blijven. Binnenkort misschien, dan vertrek ik weer. Maar niet nu. Een zorgrimpel graaft zich diep over hun voorhoofd. Alsof ik te beklagen ben omdat ik niet naar het buitenland vertrek. Maar ik vind het niet erg. Ik hoef de grens niet over. Ik moet niet ver reizen om mezelf te vinden: ik ben hier, gewoon hier, zoals altijd.

Ik heb het gevoel dat ik niets en tegelijk alles aan het doen ben. Niets, omdat ik een rustpunt inlas. Alles, omdat ik op dat punt sta en plan in welke richting ik zal stappen wanneer het denderen weer begint. Ik wil het verleden vasthouden, maar ook de toekomst bekijken. Er zijn dagen waarop er helemaal niets gebeurt, en dan lijkt het alsof ik niets te vertellen heb. Maar er is altijd een verhaal. Het duurt gewoon wat langer voor er een duidelijke lijn in het plot komt. Soms kijk ik naar het water en dan voel ik een dwingende drang om te springen, te duiken, de golven rond mijn lijf te wikkelen. Ik weet precies waar ik sta. Stil. Een klif is ook gewoon maar een rand. Ergens is er een zee waar ik wel zal zwemmen. Maar voorlopig niet.

De zon brandt tegen mijn huid. De warmte houdt nu al dagen aan. Een hittegolf overspoelt je, beukt tegen je hele wezen aan. Ik wil alles doen, maar ik doe niets. Ik beweeg amper, als een dier dat zich voor dood houdt. Dat is slim, dat is overleven zonder echt te moeten leven. Er zijn veel mensen in mijn omgeving die aan het echte leven beginnen. Ik zie het op prikborden, ik lees het in uitnodigingen, het schittert in de diamanten ringen. Ik stuur ze mijn beste wensen, ik kir hoe mooi hun baby is, ik zeg hoe trots ik ben. Ze vragen mij: “En hoe zit het met jou?”

Ik weet precies waar ik ben, of beter: waar ik naartoe wil, in welke richting ik zal stappen wanneer alles weer begint. Ik heb een plan, een rood pinnetje op een denkbeeldige kaart van mijn leven. Ik kan er niet naar wijzen, maar ik weet het wel heel zeker: “Daar! Daar ga ik naartoe.” Voor het eerst heb ik iets – een droom – zo lang in mijn handpalm gesloten dat het niet meer wegvliegt als ik mijn vuist weer open. De dingen die je echt dierbaar zijn, kan je loslaten, net omdat ze niet zomaar verdwijnen. Het verschil leren kennen is volgens mij de truc van volwassen worden.

“En hoe zit het met jou?” Zoveel mensen zijn geïnteresseerd in antwoorden, terwijl ik alleen maar vragen stel. In de zomer niet, in de zomer sta ik stil. Ik bestudeer de mensen en ik vraag mij af: Waren we altijd zo gelukkig? Zullen we altijd zo gelukkig blijven? Wat als het echt altijd zo goed blijft? Ik besef plots dat het iets is dat ik nooit had overwogen. Dat het niet alleen goed kan zijn, maar dat het ook goed kan blijven. Misschien ben ik zo gevoelig voor het licht omdat ik me zo lang in het duister hulde. Want meestal ben ik zo druk bezig met twijfelen, met nerveus op mijn lip kauwen, met ijsberen, met wikken en wegen, met angstig om mij heen te kijken, met voorzien waar het straks mis zal lopen. Maar wat als het zo goed blijft? Misschien was even stilstaan exact wat ik nodig had om dat te beseffen, om in mijn handpalm te staren en de gemoedsrust te zien: daar, nog steeds daar. Losgelaten en toch gebleven.

Dat is de schoonheid van een trage zomer, een zomer waarin je jezelf toelaat om stil te staan. In onze snelsnelsnelmaatschappij moet alles meteen gebeuren, en het moet ook meteen perfect zijn. Ik weet niet wanneer we allemaal zulke haastige mensen geworden zijn. We hebben geen tijd om een stap terug te nemen. Want het moet vooruit. Ik ben een heel jaar lang zo intens bezig geweest met mezelf op te bouwen, maar ik vergat om ook te kijken naar wat ik er uiteindelijk van gemaakt heb. Ik weet niet wanneer ik zo’n haastig mens geworden ben. Het gebeurde plots, en nu lijkt het alsof ik niets anders kan zijn: iemand met haast, iemand die nodig ergens moet zijn, iemand die geen tijd heeft.

Ik ga dus niet ver weg. Ik loop mezelf even niet meer voorbij. Integendeel, ik kom mezelf om elke hoek weer tegen, een oude bekende die ik bijna vergeten was. Ik steek mijn hand op in een begroeting: “Fijn je weer te zien.” Ik hou mij rustig, als een dier dat zich voor dood houdt. Overleven zonder echt te moeten leven, zonder ook maar iets te moeten. Ik sta stil. Ik bezin weer voor ik begin. Dat is de schoonheid van een trage zomer: ik mag.

And so with the sunshine and the great bursts of leaves growing on the trees, just as things grow in fast movies, I had that familiar conviction that life was beginning over again with the summer,” schreef F. Scott Fitzgerald in The Great Gatsby. Het leven begint opnieuw. Straks begint het razen weer, straks stijgen de verwachtingen sneller dan de temperatuur. Straks moet ik weer presteren, afleveren, indienen, bewijzen. Straks moet ik weer vooruit, verder, bewegen. Straks wordt mijn waarde gemeten in resultaten en in tijd. Straks ben ik weer een plus of een min, meer niet.

Maar voorlopig sta ik even stil, brand ik vanbinnen en schreeuw ik niet om hulp. Ik heb het gevoel dat ik niets en tegelijk alles aan het doen ben. Ik kijk door het open raam en zie de fel verlichte wereld. Ik nip van dure drankjes, ik luister naar de muziek, ik voel het gras tussen mijn vingers en ik lach op achterbanken, steeds kijkend naar de mensen. Ze lachen terug. En als iemand mij op dit moment zou zeggen dat het altijd zo goed blijft, dat we altijd zo gelukkig zullen zijn, zou ik het misschien zelfs geloven. Want het leven begint opnieuw. Dat is de schoonheid van een trage zomer. Tot binnenkort.

 

Morgen misschien

Ik heb ergens gehoord dat het internet de enige plek is waar niets verdwijnt, misschien daarom dat het de plaats is waar we altijd komen om dingen te zoeken.  Sommigen zullen het misschien niet gemerkt hebben, maar ik ben een tijdje niet aanwezig geweest op dit webadres. Nadat mijn bericht over schoonheidsidealen door ongeveer een half miljoen mensen gelezen werd en in de media uitvoerig was besproken, besloot ik om even een blogbreak in te lassen. Viraal is verrassend, maar ook heel vermoeiend. Ik kreeg enorm veel leuke reacties. Ik kreeg ook een aantal minder leuke reacties. Lang verhaal kort: de online storm dreigde mij een beetje te overspoelen, en ik wou vermijden dat ik verdronk. Ik had ademruimte nodig.

Dus ik nam een stap terug, en daarna nog eentje, en dan nog eentje, en nog eentje – tot ik het bijna niet meer durfde om terug te komen. Alsof ik niet meer welkom zou zijn. Waarom? Er zijn veel redenen. Maar eentje kwam altijd terug: omdat ik het gevoel had dat de verwachtingen nu hoger lagen. Omdat ik perfect moest zijn, en omdat ik perfect wou zijn. En omdat ik dacht dat ik dat niet kon, perfect zijn, bleef ik weg. Het is een slechte gewoonte van mij, een soort van diepgewortelde faalangst: als ik niet de volle 100% kan geven, dan geef ik liever helemaal niets. Want niets is nog altijd beter dan iets dat niet perfect is. Het is de angst om niet goed genoeg te zijn, en vroeg of laat door de mand te vallen, met als gevolg omgekeerd overcompenseren: je misdragen of, in mijn geval, stilvallen. De lat lag hoog en ik wou niet springen, bang om op mijn bek te gaan. Dus ik stelde het uit. Ik redeneerde in tijd: morgen misschien. Als ik het perfecte onderwerp heb. Morgen misschien. Als ik de perfecte woorden vind. Morgen misschien.

Noem het geen writer’s block. Ik bleef nog altijd schrijven. Uiteraard. Ik schrijf altijd. “Het enige geluk dat je hebt is iets nieuw schrijven, in het midden van de nacht, met vochtige oksels, bonzend hart, iets dat nog niemand gelezen heeft,” pende Lorrie Moore in haar verhaal ‘How To Become A Writer’. En dat is het ook voor mij: schrijven maakt mij gelukkig. Maar ik hou het meeste voor mezelf. Zolang het achter een wachtwoordmuur schuilt of ergens in een notitieboekje staat, kan ik mezelf nog overtuigen dat het perfect is, of perfect kan zijn, of perfect zal zijn. Morgen misschien, als ik de perfecte woorden heb gevonden. En het perfecte onderwerp. Deze blog bleef echter knagen. Enkele lieve lezers stuurden mij bezorgde berichtjes: “Ben je gestopt?” Alsof het een soort van verslaving is waar je van af kan kicken. En dat was het eigenlijk ook een beetje: ik ging blog cold turkey. Voila, het beest heeft een naam. Hoe langer ik stil bleef, hoe meer de lege blog aanvoelde als een zeurend kind dat in mijn ooghoek om aandacht vroeg. “Ik kom terug,” beloofde ik, de slechte ouder, “Morgen misschien.” Ik staarde naar het scherm, mijn blik op oneindig maar tegelijk zo in mezelf gekeerd. Ik heb ergens gehoord dat het internet de enige plek is waar niets verdwijnt, misschien daarom dat het de plaats is waar we altijd komen om dingen te zoeken. Wat zoeken we? Volgens de cijfers die jaarlijks vrijgegeven worden door zoekmachines, is dat meestal Kim Kardashian. Volgens mij is het onszelf.

Sommigen zullen het misschien niet gemerkt hebben, maar deze blog ziet er een beetje anders uit dan vroeger. Er is veel verdwenen, een beetje gebleven en het thema is anders. Het zit namelijk zo: ik ging viraal met mijn artikel over schoonheidsidealen, en plots zei iedereen hoe goed het was en plots voelde ik de druk om vanaf nu ook elke keer perfect te zijn. Viraal is verassend, maar ook vermoeiend. En toen las ik een stuk op Rookie Mag over het beheersen van je online persoonlijkheid. Het stuk verdedigt het controleren van je internetvoorkomen: “Niets op het internet verdwijnt, maar het is geen schande om, als je kan, zaken te verwijderen die niet meer overeenkomen met wie je bent.” Ik ben opgegroeid met het internet, en door de jaren heen heb ik daar deeltjes van mezelf achtergelaten, als broodkruimeltjes. Maar die broodkruimeltjes brengen me niet altijd terug naar de juiste plek. Ergens in de krochten van het wereldwijde web schuilen de beste versies van mezelf, maar – helaas vaker – ook de slechtste. Ik wil niet altijd terug, ik wil veranderen, ik wil vooruit. Want ik verander ook constant, en ik ga ook altijd vooruit. Althans, dat hoop ik toch. Er is een quote van de dichter Walt Whitman die ik vaak potsierlijk aanhaal: “Do I contradict myself? / Very well, then I contradict myself / I am large, I contain multitudes.” Ik knipper met mijn ogen, en ik verander.

Het voorbije half jaar zijn er een aantal dingen veranderd en een aantal kansen deden zich voor. Ik hoop jullie alles binnenkort te vertellen. En zo niet, dan spreek ik mezelf maar tegen. I am large, I contain multitudes. Ik knipper met mijn ogen, en ik verander. Een half jaar later ongeveer, en deze blog is ook veranderd. Dat had ik nodig om de bezorgde vraag van die lieve lezers te beantwoorden: neen, ik ben niet gestopt. Zeker niet. Bedankt om te lezen. En bedankt om te wachten. Maar ik ben niet gestopt. Ik drukte alleen eventjes op pauze. Ik knipperde met mijn ogen, en alles was anders. Ik ben hier, ik ben terug. Een beetje anders, maar nog steeds dezelfde. Het zal niet altijd perfect zijn. Dat kan ik niet beloven. Maar dat hoeft ook niet. De filosoof Alain De Botton schreef ooit: “Work finally begins when the fear of doing nothing exceeds the fear of doing it badly.” Het werk begint wanneer de angst om niets te doen de angst om het slecht te doen overstijgt. Ik ben nog steeds overdonderd en gebrekkig, maar ik ben terug. Het werk begint. Eindelijk. Tot binnenkort.

Het onbewaakte moment

Twintig jaar geleden verdwenen twee meisjes. Twintig jaar geleden werd alles plots onveilig. Er komen regeltjes. We mogen niet meer met vreemden spreken, alleen op pad is verboden, witte bestelwagens zijn altijd verdacht, en zeker voor het donker thuis. Twintig jaar geleden was ik zelf nog een kind: vijf jaar, mij van geen kwaad bewust. De boze wolf was toen nog gewoon een wolf, geen mens van vlees en bloed met slechte bedoelingen.

Ik werd ouder. En ik speelde nog altijd buiten. De beelden op televisie waren vaag, maar ze waren er wel: twee meisjes, nog meer meisjes, een verborgen kruipkamertje achter een kast. Mijn ouders die huilden voor het televisiescherm toen hun kleine lijfjes uit het huis werden gehaald. Ze rilden. Mijn ouders ook. De mensen spuwden hun helderwit gal. Een nooit geziene massa golfde traag door de hoofdstad. Ingetogen woede die alles veranderde. Omdat het moest. Omdat het nodig was. Omdat we daar veel te lang niet bij stil hadden gestaan. Omdat twintig jaar geleden twee meisjes zomaar konden verdwijnen. En omdat we ze niet vonden. Niet op tijd.

Ik was nog een kind toen. Het zijn allemaal heel troebele herinneringen. Het is een verhaal dat tijdens mijn jeugd altijd op de achtergrond verteld werd, een verhaal waar niemand lang en gelukkig leefde op het einde. Ik hoorde het in flarden – ‘Het is toch zo verschrikkelijk’ – en ging dan verder spelen. Ik snapte niet goed hoe erg het was, en waarom. Ik had een vriendinnetje dat als de dood was voor hem, de boze wolf van vlees en bloed. Toen hij even ontsnapte zag ze hem achter elke vreemd vervormde boom en elke scherpe straathoek. Ik vond het grappig, ik joeg haar graag de stuipen op het lijf: “Pas op, daar is hij, op vrije voeten!”

De kranten brachten uiteindelijk het verlossende nieuws: de boswachter had hem kunnen strikken, de wolf zat weer achter slot en grendel. En we lachten eens omdat mijn vriendinnetje zo’n ongelooflijk schijtluis was. Ik begreep het niet. Niet echt. Ik was nog een kind toen. Ik wist alleen dit: niet met vreemden praten, alleen op stap is verboden, witte bestelwagens zijn verdacht, en voor het donker thuis.

“Kinderen hebben geen denkbeeldige vriendjes meer. Kinderen hebben tablets.” Dat merkte ik onlangs grappend  op tijdens een gesprek met een vriendin. Soms zie ik jonge kinderen en heb ik medelijden omdat ze zo verschrikkelijk beschermd/afgeschermd worden, zo nauwlettend in de gaten gehouden. Bouwen ze nog boomhutten? Klimmen ze nog over verboden hekken? Rolschaatsen ze nog onbezorgd naar de speeltuin? Lopen ze nog doelloos door de straten met als enige regel ‘voor het avondeten thuis’? Ik hoop het, maar ik ben het niet zeker. In haar essay ‘The Overprotected Kid’ schrijft Hanna Rosin het volgende over haar dochter: “Toen mijn dochtertje tien jaar oud was, realiseerde mijn man zich dat ze in haar hele leven waarschijnlijk niet meer dan tien minuten zonder toezicht heeft doorgebracht.” Niet meer dan tien minuten. In tien jaar tijd.

Onlangs stond ik in de rij van het postkantoor. Achter mij hengelde een jongen aan de hand van zijn moeder, duidelijk verveeld. De blokkenhoek bleef onaangeroerd. Ik trok een gek gezicht naar het jongetje, om hem op te vrolijken. En omdat ik mij ook verveelde, want ik ben te oud voor de blokkenhoek. De moeder bekeek mij beschuldigend, alsof ik haar zoontje net had aangevallen met een mes. Ik kan het haar achteraf gezien amper kwalijk nemen. De paranoia heeft mij ook te grazen. Toen ik leiding gaf in de jeugdbeweging, was ik zelf als de dood dat ik één van de kinderen zou verliezen. Gewoon: poef! Weg! Ik zag het als iets dat letterlijk elk moment kon gebeuren. Hoe zou ik dat in godsnaam kunnen uitleggen aan de ouders? Ik was op mijn hoede. We zijn allemaal op ons hoede. Als je denkt aan alles wat er kan gebeuren, op hoeveel manier zo’n ukje aan z’n einde kan komen, is het bijna een wonder dat we nog gezinsuitbreiding nastreven. Het is gek dat we anno 2015 niet gewoon mensen klonen van een jaar of twintig, mensen die nooit meer moeten opgroeien in een onveilige wereld waar de wolven loeren.

Het is tegenwoordig een plicht om elke minuut van de dag exact te weten waar kinderen zijn, bij wie en hoe lang, wanneer ze zich verplaatsen, op welke manier, en met wie. We sturen onze kinderen de wereld in zoals we soldaten naar het front voeren: met een bang hart, en met wel honderd worstcasescenario’s in gedachten. We zijn op alles voorzien, behalve het onbewaakte moment. Want dat is wanneer de erge dingen gebeuren, de dingen die we al die tijd vreesden. Het onbewaakte moment. Dat is wanneer kinderen ontvoerd worden, stikken op een stukje ijzerdraad, zich prikken aan een verdwaalde junkienaald, omver gereden worden,… En dan komt er steevast de vraag: “Waar waren de ouders?” En: “Waar was de leerkracht?” Wie was er op het kind aan het letten toen alles fout liep? Wie moest er voor dat kind zorgen? Waar waren we? Waar waren we? Waar in godsnaam waren we?

Het antwoord is: hier, we zijn altijd hier. Speelgoed heeft strikte gebruiksvoorwaarden. Pretparken meten de lengte van kinderen. Wie onder het lijntje krimpt, komt er gewoonweg niet in. Films hebben een leeftijdscategorie. Rond de speeltuin houden vijftien verveelde vaders de wacht. Overal een hekje rond, mooi afgebakend. Achtjarige kinderen krijgen een smartphone zodat ze altijd bereikbaar zijn, zodat er nooit een onbewaakt moment komt. En begrijp me niet verkeerd, dat is uiteraard positief. Hoera met een hoedje op het hoofd! We mogen kinderen niet zomaar hun ongeluk laten inwandelen. Ik zal zeker niet zeggen dat kinderen geen nood hebben aan supervisie. Maar is de wereld echt zoveel gevaarlijker geworden voor kinderen dan toen ik zelf nog een kind was? Dat vraag ik me soms af.

Ik had ook mijn regeltjes: niet met vreemden spreken, niet alleen op pad, witte bestelwagens zijn verdacht, en voor het donker thuis. Een kind opvoeden is een beetje zoals Russische roulette spelen. Waren mijn ouders dan geen goede ouders omdat ik zonder hen toch buiten mocht spelen?  De boze wolf is er altijd al geweest, maar we vrezen hem nu collectief. Het is een angstcultuur die de veiligheidsobsessie in de hand werkt en die ervoor zorgt dat je een slechte, slechte ouder bent omdat je peuter bijvoorbeeld zijn knie schaaft aan het asfalt omdat je eventjes niet keek en hij gevallen is. Schaam op jou!

Wel, laat mij eens iets vertellen over vallen. Ik ben zeven jaar oud en ik kom lelijk ten val vlak voor de automatische schuifdeuren van de supermarkt. Het is een moment dat ik mij nog heel levendig voor de geest kan halen: met mijn gezicht tegen de koude witgrijs gespikkelde tegels. Het doet zoveel pijn, dat weet ik nog, en mijn kin bloedt een beetje, dat overdrijf ik misschien. Maar het doet dus pijn. Koppig kind als ik ben, besluit ik dat ik nooit meer zal vallen. Een eenzijdige deal met het universum. Nooit meer. En toen ik 23 was, viel ik in het Citadelpark in Gent, vlak voor de enge tunnels. Helemaal van mijn melk, bel ik naar mijn vader die op dat moment aan het werken is, enkel en alleen om het hem te zeggen: “Ik ben gevallen.” Zo verbaasd dat het na al die tijd nog kan gebeuren.

Vallen is belangrijk. Als kind moet je leren vallen, en leren dat je ook weer op kan staan. Veiligheidsonderzoeker Dr. Joe Frost zegt het als volgt: “In de echte wereld, zit het leven vol risico’s – zowel financieel als fysiek, emotioneel en sociaal – en redelijke risico’s zijn essentieel voor de gezonde ontwikkeling van een kind.” Je waagt de sprong, je valt en je staat weer op. Vlak voor je springt, weet je dat je kan vallen. Je mag zelf de knoop doorhakken, zonder een helikopterouder die over je hoofd zoemt als een vervelende mug. Een redelijk risico dus.

Maar we vinden geen enkel risico nog redelijk of aanvaardbaar. Tien minuten in tien jaar tijd zonder (ouderlijk) toezicht, dat is te weinig om zelf te leren dat je kan vallen en weer opstaan. Dat is te weinig om op te groeien. Maar dat is ook de norm, zo lijkt het. En het resultaat is dat kinderen al op een heel jonge leeftijd leren om bang te zijn. Twintig jaar geleden verdwenen twee meisjes. En het was verschrikkelijk. En het zou niet mogen gebeurd zijn. En ik ril mee als ik de beelden opnieuw zie. Want nu begrijp ik het, hoe erg het was, en waarom.

Twintig jaar geleden was ik ook nog maar vijf jaar oud. Op het nieuws zag ik flarden: twee meisjes, nog meer meisjes, een verborgen kruipkamertje achter een kast. En de boze wolf die voor het eerst zijn tanden toonde, zonder dat ik toen echt besefte hoe erg het allemaal was. Het is niet het enige verhaal, jammer genoeg niet. Ik herinner me een pak gebeurtenissen die mij om het hart sloegen: de bende richtte een bloedbad aan in de winkels, de prinses werd achternagezeten en verongelukte in de tunnel, twee vliegtuigen boorden zich door twee torens, de troepen trokken door de woestijn, een vloedgolf spoelde mensenlevens weg, mensen werden gemarteld en overal was er wel een God die het hen allemaal influisterde.

En dan waren er die twee meisjes, twintig jaar geleden. En de andere meisjes die volgden. De meisjes die ik nooit zal vergeten. Het was zeker niet het definiërende verhaal van mijn jeugd. Maar het is het verhaal dat er sindsdien altijd was, ergens op de achtergrond. Ik was geen angstig kind, maar ik ben een angstige volwassene. Ik ben niet de enige. Ik ben op mijn hoede, ik ben waakzaam, ik bedenk op voorhand het worstcasescenario. Ik praat niet met vreemden, ik ga niet alleen op pad, ik vertrouw nog steeds geen witte bestelwagentjes, en ik probeer – als dat lukt – om voor het donker thuis te zijn. Ik doe er alles aan om niet te vallen. En als ik val, dan denk ik: waar zijn ze? waar zijn ze? waar in godsnaam zijn ze?

Hier. We zijn altijd hier. En misschien is dat wel het probleem.

Dik. Lelijk. Wijf.

Echte vrouwen hebben parmantige borsten die gewillig grijpgrage handen vullen. Echte vrouwen worden nooit een dag ouder dan eenentwintig. Echte vrouwen passen in een maatje zero, zero, zero. Echte vrouwen. Wat betekent dat zelfs? Echte vrouwen hebben rondingen die over de broeksrand rollen en rollen, pardoes de grond op. Echte vrouwen kijken soms dagenlang niet in de spiegel. Echte vrouwen voelen zich op een dag zo zichtbaar dat ze liever verdwijnen.

Sta mij toe meteen één ding op de goed gedekte tafel te gooien: ik ben dik. Zelfs als kind zeulde ik al meer kilo’s met me mee dan strikt nodig. “Ze zit goed in ’t vlees”, knipoogden oudere mensen schalks. En dan bloosde ik tevreden. Want als je vijf bent, kan je je amper inbeelden dat hoe je eruit ziet niet ok kan zijn. Ik was me er wel degelijk van bewust dat mijn lichaam niet volgens dezelfde hoeken was gedefinieerd als dat van de andere meisjes. Mijn lichaam is rond. Mijn lichaam is bol. Geen hoeken te bespeuren hier.

Wat ik ook doe, mijn overgewicht is steevast het eerste wat mensen opmerken. Dat snap ik ergens wel, want je kan er letterlijk niet omheen. Na een presentatie zullen ze vaak enkel onthouden dat die dikke het gezegd heeft. Meer niet. En dat maakt me bijtijds verschrikkelijk onzeker. Vooral wanneer ik mensen voor het eerst ontmoet, zit ik uren voor de afspraak al te janken voor mijn kleerkast omdat geen enkel van de stoffen kan verbergen dat er zoveel van mij is, veel meer dan ze waarschijnlijk verwachten.

Ik word nerveus telkens er een nieuwsitem op het journaal het heeft over de link tussen obesitas en suikerziekte, obesitas en hartfalen, obesitas en dementie, obesitas en de economische crisis, obesitas en de opwarming van de aarde, obesitas en alles wat je maar kan bedenken. Ik schuifel mijn breed achterwerk zenuwachtig in de zetel en adem jachtig. Soms wuif ik het weg met een opmerking: “Bij mijn vorige bloedonderzoek was alles goed. Weet je nog?” Er wordt geknikt. Niemand heeft er iets over gezegd, niemand keek zelfs mijn richting uit en toch voelde ik de druk om mezelf en mijn vetrollen te verdedigen.

Ik begin te studeren en besluit te gaan zwemmen. Niet omdat ik heel graag wil afvallen, maar omdat ik graag de trap wil blijven nemen zonder in ademnood te komen. Een paar baantjes trekken van tijd tot tijd om het hoofd boven water te houden, zoiets. Omdat ik onzeker ben over hoe ik er in zwempak uitzie, trek ik op mijn ukkie richting een plaatselijk overdekt sportzwembad. Liever alleen, liever zonder zoveel blikken. Voor ik vertrek, geef ik mezelf een uitvoerige peptalk. “Het kan niemand iets schelen dat je rondingen hebt”, klinkt het streng. Mijn ogen lijken tafelborden, zo groot. Ik blijf mezelf moed inspreken: “De mensen hebben bewondering dat je probeert. Niemand verwacht een olympische prestatie.” Uiteindelijk zwier ik de vuillinnen sporttas over mijn schouders en wandel ik gezwind – niet met de tram, pluspuntjes voor moeite – richting het water.

Aan de ingang van het zwembad, stuit ik op een luidruchtige groep jongens die net van een of andere gezamenlijke plonspartij komt. Ze zien er atletisch uit en ze lachen gemoedelijk, opgefokt door de adrenaline die ze net hebben gecreëerd. Wanneer de ogen van de leider van de groep, een gespierde jongen met kort getrimd blond haar, op mij vallen, wordt het stil. Ik probeer me langs hen te manoeuvreren en vergeet alle aanmoedigingen die ik nog geen halfuur geleden opsomde. De kerel staart me aan en vervolgens spreekt hij drie woorden uit, benadrukt door een punt na elk woord: “Dik. Lelijk. Wijf.”

Even stopt de wereld met draaien. Je kan een speld horen vallen. De schuifdeuren achter ons klappen open en dicht, open en dicht. De woorden resoneren lang in mijn hoofd voor ik ze echt aan hun betekenis kan vastpinnen. Dik. Lelijk. Wijf. “Excuseer”, mompel ik bijna hoorbaar en ik wring me tussen het groepje naar binnen waarna ze allemaal hartelijk beginnen lachen. Ik kijk niet meer om. Mijn ogen flitsen door de onbekende ruimte, op zoek naar het dichtstbijzijnde toilet. Dik. Lelijk. Wijf.

Ik wurm me een vrij stalletje binnen, vergrendel de deur en ga op de pot zitten. Ik ben er me pijnlijk van bewust hoeveel plaats ik inneem in dit kleine hokje. Ik wil mezelf kleiner maken. Er is niets meer over van mijn langzaam opgebouwd zelfvertrouwen. Ik trek mijn knieën helemaal tegen mijn kin. Geluidloos stromen de tranen over mijn wangen. Ik weet niet precies meer hoe lang ik daar zo gezeten heb. Ik herinner me dat er een aantal keer op de deur werd geklopt zonder dat ik antwoordde. Die avond, voor de allereerste keer in mijn leven, huil ik mezelf in slaap omdat ik dik ben. Omdat ik meer plaats inneem dan andere mensen. Omdat ik besta.

Laatst stond ik in het pashokje van een niet nader genoemde modeketen. Ik twerkte me enigszins moeizaam in een frivool rokje en tuurde in de spiegel. “Niet slecht”, knipoogde ik naar mijn reflectie. Waarna ik meteen toegaf: “Maar waarschijnlijk mooier bij een model.” Naast mij hoorde ik plots snikken. Eerst heel stilletjes, als een kraan die lekt. Daarna steeds luider en luider, als een kind dat haar moeder zoekt in een grootwarenhuis. De paskamer van de vrouwenafdeling is een soort tijdruimtevacuüm waarin enkel de ergste nachtmerries leven. Niemand reageert en uiteindelijk voel ik me te ongemakkelijk.

“Euhm.. alles ok?” vraag ik schuchter. Ik klop een paar keer op de krakende saloondeur. Een rood, betraand hoofd kromt zich om de hoek van het hokje. Ze neemt me op. “Onmogelijk”, hist ze. Ik sta perplex. “Wat is er aan de hand?” pols ik voorzichtig. Je weet nooit met wie je te maken hebt. Straks liggen we misschien te rollen over de vloer van het magazijn, elkaar de haren uittrekkend. “Kom binnen”, instrueert ze dwingend. Twijfelachtig doe ik wat ze vraagt.

Eens binnen zie ik een beeldschoon jong meisje in een frivool rokje. Hetzelfde frivole rokje waarin ik net mijn maatje 48 heb geworsteld. Het stukje stof watervalt moeiteloos over haar benige heupen, elegant, zoals het hoort. Ik heb meteen spijt dat ik voor haar sta in dezelfde couture. “Hoe komt het dat jij er wel mee staat?” vraagt ze. Pardon? Ik weet niet goed wat ik hoor. “Wat zeg je nu?” klink ik verbouwereerd, “Je ziet er godverdomme duizend keer beter uit dan ik! Ik wou dat ik jouw lichaam had.” Ze snuift schamper. “Dit? Er is amper iets om de kledij mee op te vullen. Nee, bedankt,” legt ze uit.

Echte vrouwen, weet ik, hebben er schoon genoeg van. Ik ken zo weinig mensen die zich goed in hun vel voelen. Omdat ze te dik zijn, omdat ze te dun zijn, omdat ze krullen hebben of net lokken die futloos naast het gelaat hangen. Omdat ze dunne lippen hebben, een andere huidskleur of godbetert een vreemde kleine teen.  De sportieve kerel noemde mij een DIK. LELIJK. WIJF. Alsof ik enkel dat ben, een waardeoordeel dat onlosmakelijk vasthangt aan drie dingen: gewicht, schoonheid en geslacht. En ik pik het niet meer. Ik hoef me niet te verdedigen. Ik hoef me niet te verontschuldigen. Ik heb een maatje meer, maar dat maakt me niet minderwaardig. Er is zoveel meer van mij, meer dan je waarschijnlijk verwacht. Het meisje in het pashokje kon je omver blazen, niet omdat ze zo mager was maar omdat ze zo onzeker oogde. En ik laat het niet meer toe. Echte vrouwen zijn wijven, topwijven. Echte vrouwen hebben er schoon genoeg van.