Toen Bowie leefde

Something happened on the day he died. Maandagochtend, heel vroeg. Ik tast in het duister naar mijn telefoon en laat de wereld binnen aan de hand van duimvegen, filters en hashtags. Slechts één naam wordt herhaald: honderd keer, duizend keer, miljoenen keren. Oneindig. Het is bijna een gebed, doorspekt van superlatieven. Een smeekbede eerder, besef ik snel. De wereld uit koppig het ongeloof zoals dat alleen gebeurt bij de mensen waar je zielsveel van houdt: ‘Dit kan niet waar zijn. Neen.’ De vreemdste vogel is gaan vliegen, just like that bluebird.

Verbazen mag het eigenlijk niet. Uiteindelijk stopt het allemaal. En verbazen doet het toch. Het kwam nooit bij mij op dat Bowie zomaar zou sterven zoals andere mensen dat zomaar doen. De dood lijkt gruwelijk alledaags wanneer het over helden gaat. Het is een gevoel dat ik met veel mensen deel, heb ik gemerkt: de indruk dat Bowie onsterfelijk was. Dat het zo wel moest zijn. Dat het haast niet anders kon. Meer dan mens leek Bowie buitenaards onwerkelijk, en daarom vast en zeker gespaard van zoiets triviaal als aftakeling of sterven. Kanker dan nog, kom op zeg. Belachelijk banaal in vergelijking met wie hij was.

Natuurlijk, niemand krijgt een vrijpas van het universum. Ook helden niet. Die realiteit leek Bowie zelf al aanvaard te hebben. Zo getuigt de plaat die vorige week verscheen. Bij Bowie was het leven een voorstelling, eentje waarvoor iedereen op de eerste rij wou zitten. En nu, op het einde, kregen we ongemerkt allemaal dat begeerde plekje. Een muzikaal testament op zijn laatste verjaardag. Die finale snik klonk nooit zo schoon, zo complexloos en zo puur. Achteraf gemakkelijk. Ik wou dat ik dat over alles kon zeggen. Een trieste glimlacht krult om onze lippen omdat hij ons alweer in de luren heeft gelegd. Hoe hij ons daar aan die eindmeet nog zo verrassen kon, hoe hij ons nog zo stevig bij het nekvel kon grissen – het getuigt van zijn erfenis. Met een meesterlijk album wordt zelfs de dood een kunstwerk, net als hoe hij het met alles deed: de goddelijke show die zijn leven was, tot het doek valt.

Bowie eiste de aandacht op zonder zichzelf ooit toe te laten om op zijn lauweren te rusten, de eerste die de roem volledig ontrafeld had en ons daarover vertelde. Ver zijn tijd voor, zeggen ze. Maar Bowie was geen toekomstvoorspeller, hij zette de tijd zelf naar zijn hand. Hij was de fragmentarische maatschappij-Messias die lang voor ons al de pijnpunten inkleurde, alles in de vorm van een prachtige popcultuurrevolutie die wel degelijk uitgezonden werd op televisie. Hij gaf ons het antwoord voor de vraag werd gesteld. Je moest gewoon goed opletten. Helaas is dat iets waar wij, immer koppig ras, nooit zo goed in zijn geweest. Toch deed Bowie nooit water bij de wijn, hij voerde ons simpelweg dronken. Lazarus.

Van Ziggy Stardust tot de Thin White Duke, van filmster tot zanger, van junkie tot fashionicoon, van gender bender tot altijd artiest. Bowie leerde ons meer dan wat ook dat de mens maakbaar is. Hij suste dat anders zijn een meerwaarde is, geen gebrek. Hij schonk ons maskers alsof het kronen waren en toonde daarmee dat wie we zijn of waar we vandaan komen helemaal geen vaststaand gegeven hoeft te zijn. Persoonlijkheid wankelt tot er een nieuwe versie verschijnt. Geen slechtere of noodzakelijk betere versie, alleen anders deze keer.

Ik hoor de mensen zeggen: ‘Ik ben er echt kapot van.’ Begrijpelijk. Zoveel buitenbeentjes hebben dankzij Bowie hun eigen weg gevonden, aangemoedigd door zijn constante innovatie. Hij, de patroonheilige van de misfits. Zonder Bowie zou de wereld er anders uitzien. Er zouden gaten zijn die niemand nog zou kunnen opvullen. Want sommigen zouden met alles gestopt zijn zonder Bowie die hen aanspoorde: ‘Het is niet te laat. Kijk, zo kan het ook. Of zo. Je kan nog zoveel zijn.

Bowie bewees dat het een kunst is, geen schande, om te veranderen. Van mening. Van interesse. Van persoonlijkheid. Van geslacht. Van stijl. Je kan alles aan jezelf heruitvinden, net zoals Bowie alles aan zichzelf steeds opnieuw uitvond. Identiteit is grenzeloos, misschien zelfs oneindig. Dat is wat ik meeneem van Bowie: dat je als mens nooit een netjes afgerond geheel bent, maar een vorm die kan transformeren of juist scherp uit de hoek kan komen indien nodig.

Tijdens die eerste dag zonder hem lees ik troost online. Ik stuur berichten. Ik bel mensen op. Ik staar voor mij uit en ik ga weer verder. Het is collectieve rouw in honderdveertig tekens of meer. Daar kan je cynisch over doen. Mij maakt het niet uit. Ik zie het zo: Bowie bracht ons samen, nog maar een keer. En ik hou van alles wat ons een beetje meer verbindt. Met elkaar of met onszelf. Dus ja, ik lees troost online. Dit is wat ik daar vind, een gedachte van Dean Podestá: onze wereld is miljarden jaren oud, het universum nog veel ouder dan dat – en wij leefden toen Bowie leefde. De rebel die de wereld zag voor wat het was, het vervolgens opnieuw verpakte en afleverde.

Een uitgedoofde en gitzwarte ster schittert boven ons, wachtend in de ruimte. Daar is Bowie, eindelijk verenigd met de kosmos die hij zo schoon kon bezingen. Onze alien: altijd nieuwsgiering, altijd vreemd en nooit echt op zijn plaats hier bij ons. De originele Starman. Bedankt, Bowie. Honderd keer, duizend keer, miljoenen keren. En zoals jij het deed, zo volgen wij hopelijk jouw voorbeeld: blijven veranderen, blijven innoveren en blijven creëren. Maskers dragen als kronen, ons leven tentoonstellen, iets wat aandacht opeist en ook verdient. Want de dood is onvermijdelijk. Maar het hoeft geen tragedie te zijn wanneer het leven zo mooi ervaren werd. En verdorie, het was zo mooi toen Bowie leefde. The stars look very different today.

Het leven is een meervoud

“In my way of thinking, anything is possible. Life is at the bottom of things and belief at the top, while the creative impulse, dwelling in the center, informs all.” – Patti Smith, M Train

‘Bijna.’ Zo antwoordde ik toen een vriend van vroeger – teruggevonden als een sleutelbos die ik verstrooid had – mij onlangs vroeg of ik intussen gelukkig ben. Ik antwoordde eerlijk, want ik had geen enkele reden om tegen hem liegen. Dit is iemand die ik heel goed ken, ondanks alles. Het zit zo: ik verlies geen mensen; ze vervreemden vriendelijk en ik draag ze een warm hart toe zelfs als ik ondertussen de kleur van hun ogen vergeten ben of mij de manier waarop ze schaterlachten tijdens dronken dinsdagnachten op kleverige dansvloeren niet meer herinner. ‘Bijna’, zei ik dus. Bijna ben ik gelukkig. De waarheid is dat ik mij onherroepelijk ouder voel en ik iedereen plots mis nu alles zo snel en drastisch verandert. Alle feestjes van morgen zijn die van gisteren geworden. Jonge mensen willen nooit horen dat ze jong zijn, dat hun hele leven voor hun ligt. Maar ik ben nog jong. Ik ben nog jong genoeg om de mogelijkheden te zien: de kans dat er achter elke hoek een uitdaging lonkt, een persoon die ik kan ontmoeten of de optie dat ik iets nieuw leer kennen waarvan ik het bestaan nooit vermoedde. De mogelijkheid op eerste keren ook, die ik intussen zuinig spaar en daarom net intenser ervaar.

Op de eerste dag van het jaar heb ik niets gedaan. Ik kon voornemens maken en ze alweer een jaar uitstellen, omdat ik de jaren nog heb. Ik kon in mijn sneakers schuiven, een jas over mijn schouders slaan en buiten toevallig op iemand botsen die mijn hele leven overhoop haalt of juist hoopvol herschikt. Maar ik aaide mijn champagnekater met woorden: een ontluisterend boek genesteld in mijn schoot, de hoeken in afwezige ezelsoren gekruld en de beduimelde bladzijden vuilwit. Buiten was het klaar en werd het donker zonder dat ik het opmerkte. De nacht ervoor schoof een grijze wolk voorbij de maan net toen ik naar de hemel opkeek. ‘Ha’, uitte ik omdat ik meteen de metafoor begreep. Ik ben niet uitgegaan om het einde van het jaar te vieren. Ik bleef thuis, omringd door de mensen die ik graag zie en met kriskras straatvuurwerk klokslag middernacht. Ik hou van vuurwerk, ook al begrijp ik het niet echt. Het is gevaarlijk, maar wel mooi. Je kijkt op naar de inktzwarte nachthemel en plots doorklieven felgekleurde lichten de duisternis. Alles is een paar seconden lang heel helder. De kleurtjes ritsen druk heen en weer, alsof een onzichtbare hand verwoed probeert om de wereld in te kleuren. Ik opende mijn ogen zo wijd mogelijk en probeerde het hele universum boven mij te absorberen. Ik wil het me later zeker voor de geest kunnen halen, als het terug donker wordt.

En donker wordt het altijd wel eens. Het voorbije jaar was het jaar van mezelf onderschatten, het jaar van vervolgens ook verbaasd te zijn dat ik wel degelijk meer in mijn mars heb. Ik heb uitgereikte handen dankbaar aangenomen en ik heb mij door hen laten begeleiden, waardoor ik zoveel heb geleerd over mezelf en over wat ik wil. De voorbije maanden zijn heel cruciaal geweest: ik ben afgestudeerd en moet op zoek naar een job. Ik ben benieuwd naar wat ik ga doen. Ik heb, weet ik intussen, de neiging om mezelf en mijn omgeving te verrassen. Ik hoop dat ik dat blijf doen.

Het voorbije jaar was ook het jaar van ongeloof. Waar zijn we toch allemaal mee bezig? En waarom laten we het toe? Dat zijn twee vragen die ik mij vaak stelde terwijl ik met schotelbordogen toekeek hoe de mensen elkaar het licht niet gunden. Op de een of andere manier zijn we op een punt gekomen waarop we niet meer mogen groeien. Nee, we moeten meteen groot zijn. We moeten reuzen zijn. En bij gebrek aan letterlijk beter weten, boren bepaalde mensen anderen de grond in. Na verloop van tijd word je zo onzeker over je eigen kennis en kunnen dat je niets meer doet. Je wordt zo bang voor je eigen stem dat je liever zwijgt. Dat ik soms zwijg. Ik vul volledige gesprekken met mijn stilte.

Mijn belangrijkste doel is om volgend jaar meer begrip te tonen, voor mezelf en voor anderen. Het is mijn overtuiging dat niemand echt weet waarmee ze bezig zijn. Niemand weet precies waarom ze iets doen of zeggen, als ze iets doen of zeggen. Niemand weet zeker of ze iets goed doen en, erger nog, of ze iets slecht doen. We proberen allemaal maar, schieten soms raak en soms mis. Wanneer zijn we dat vergeten? In haar boek Feminism is for Everybody pent Bell Hooks dat er sprake zou moeten zijn van evenveel versies van het feminisme als er vrouwen zijn. Daar kan ik mij in vinden. Ik geloof dat we moeten proberen om naar de wereld te kijken op net zoveel manieren als er mensen zijn. Een te beperkt wereldbeeld maakt het uitdagen van ongelijkheid namelijk onmogelijk. Omdat je simpelweg niet in staat bent te accepteren dat het leven op meerdere manier ervaren kan worden. Het leven is een meervoud.

Dat is wat ik in gedachten wil houden bij alles wat ik het komende jaar doe, wat dat ook zal zijn. Ik wil een beetje minder met mezelf bezig zijn en een beetje meer anderen toelaten. Omdat ik heb gezien dat ik daar zelf een beter mens van word en omdat ik nu meer dan ooit geloof dat de dingen die we met elkaar delen het meest waardevol zijn. Ik geloof dat we zoveel van elkaar kunnen leren en dat het, als je dat toelaat, daarom dus niet erg is om klein te zijn. Wij maken elkaar groter, als we dat echt willen. Als we ons best doen. Als we proberen. We kunnen pas het verschil maken als we de verschillen in elkaar omarmen. Ik wil dit jaar met mensen praten die het leven anders ervaren, mij informeren en veel blijven lezen en schrijven. Ik wil bedachtzaam begrijpen en ik wil niet meer zwijgen, maar vertellen. Over alles. Over iedereen. Aan jullie, lieve lezers van deze blog. En aan alle mensen die het graag wil lezen. Dit is wat ik eigenlijk probeer te zeggen: ik wil het vuurwerk zijn. Ik wil de onzichtbare hand zijn die de duisternis even inkleurt. Ik hou van het leven, ook al begrijp ik het niet echt. Het is gevaarlijk, maar wel mooi. Zo mooi. En dus wil ik gelukkig zijn. Niet bijna deze keer. Helemaal. Tot binnenkort.

Ik zie alleen maar mensen hier

Ik heb geen god waar ik mee kan praten. Ik weet zelfs niet wat ik haar vandaag zou vertellen. Dat ik bang ben, misschien. Omdat niets nog ver van mijn bed gebeurt. Omdat ver van mijn bed naast de deur is geworden. Dat ik niet kan slapen, misschien. Omdat de monsters onder het bed zijn opgegroeid, de wapens hebben opgenomen en de nachtmerries realiteit maken. Dat zou ik haar misschien toevertrouwen, mocht ik een god hebben. Nu ben ik vooral sprakeloos. Er zijn geen mooie woorden meer die kunnen beschrijven wat er in mij omgaat. ‘Niet weer’, was het eerste dat ik dacht toen ik vrijdagavond en zaterdagnacht de ernst van de situatie in Parijs begon te snappen, ‘Niet weer. Niet weer.’

Het is bijna 01u00 en de berichten blijven binnenkomen. Geen getalletjes of statistieken, maar rauwe en onbewerkte beelden of getuigenissen van mensen die zich middenin de gruwel bevinden. Mijn hart breekt op zoveel verschillende manier. Dit nieuws grijpt niet naar de keel; dit nieuws verstikt. Ik lig in een donkere kamer, helemaal alleen. Toen ik klein was en het onweerde, zei mijn vader altijd: ‘Het kan niet binnen.’ Maar het kan wel binnen. Door het opgelichte scherm van mijn smartphone schreeuwt de wereld: ‘Niet weer. Niet weer, niet weer!’ Ik heb het donsdeken ver over mijn hoofd getrokken. Ik prevel tegen de leegte, verslagen. Dat is frappant: ik word zelfs niet meer boos. Vroeger werd ik boos, vroeger vloekte en stampte ik, vroeger schreeuwde ik luid.  Ik ben zo stil geworden. Zo verdomd stil. Ik vraag mij af hoe dat is gebeurd.

Het is net 02u00 geworden en ik sta op, niet in staat om te slapen. Ik sleep mij dan maar richting de televisie voor een extra journaaluitzending. Ondertussen blijf ik op mijn iPhone het nieuws volgen: de feiten en de gissingen, de schok en de verontwaardiging. Ik zie ook hoe mensen het gepast vinden om de oprechte angst en bezorgdheid van anderen in vraag te stellen, hoe ze de gevoelens van anderen daardoor minimaliseren. Ik zie hoe ze mensen ‘sentimentaliteit’ verwijten, alsof emoties iets zijn waarvoor je gebrandmerkt moet worden. Er is geen instrument die de intensiteit van het leed van anderen kan opmeten. En er bestaat geen richtlijn voor verwerking. Waarom staan we zo sceptisch tegenover alles wat niet 100% rationeel is? In welke wereld leef je als je nodig vindt om op zo’n moment te schoppen tegen die van een ander?

We hebben zo weinig geduld voor pijn. Dit is het probleem: angst kan je niet netjes afbakenen. Het gaat over de grenzen heen. Verdriet wordt een aanval. De volgende dag, 10u00. Ik zie mensen die uit zijn op polemiek en aansporen om te grijpen naar de harde middelen. Ik zie hoe mensen met een vinger zwaaien: ‘En de rest van de wereld dan?’ Want gevoeligheid voor de ene gebeurtenis wordt beschouwd als ongevoeligheid voor de andere. Ik kan alleen maar hopen dat iedereen de grond onder zich voelt en beseft dat de wereld al die tijd als een gek is blijven draaien. Ik zie hoe mensen hun Grote Gelijk willen halen in een situatie waar waarheid weinig mee te maken heeft.

Mijn maag keert bij zoveel platte polarisering. In plaats van de emoties van anderen af te breken, is het nuttiger om te beseffen hoeveel privilege het niet hebben van die zorgen inhoudt. Ik heb het geluk dat ik mij op het bewuste moment niet  in een concertzaal, voetbalstadion of restaurant in Parijs bevond. Ik heb het geluk dat ik heel snel wist dat alle mensen die ik daar ken veilig waren. Ik heb het geluk dat ik niemand verloor. Ik ben niet één van de miljarden moslims die nu weer maar eens een vreselijk stigma mag dragen omdat enkele idioten mijn geloof zo misbruiken, die zichzelf elke keer opnieuw moet verantwoorden en verdedigen.

En toch ben ik bang. Ze zeggen dat het niet mag. Ik hoor hoe ik niet mag opgeven, want anders winnen ‘ze’. Maar wie zijn zij? Wie zijn wij? Ik zie alleen maar mensen hier. Hebben we dan niets geleerd? Als we ons altijd alleen maar druk maken over welke kant we moeten kiezen, trekken we uiteindelijk allemaal aan het kortste eind. Dat is hoe we allemaal verliezen. Dat is hoe niemand wint. Waarom zou ik dus niet bang mogen zijn? In ‘Listen’, een aflevering van Doctor Who, vertelt Clara (Jenna Coleman) dat angst een superkracht kan zijn. Angst hoeft je niet wreed of laf te maken, het kan je geheime wapen worden. Angst kan ons zachtaardig maken. Angst kan ons samenbrengen. Angst kan ons thuisbrengen. Als we niet toelaten dat het ons verblindt, kan angst onze blik juist verruimen. 

Zaterdagavond, 18u00. Er is een citaat van Fred Rogers die steeds opnieuw opduikt, als een lichtbaken in de donkere maalstroom van haat en cynisme: ‘When I was a boy and I would see scary things on the news, my mother would tell me: Look for the helpers. You will always find people who are helping.’  Dat is wat ik doe. Ik klamp mij wanhopig vast aan de liefde die ik nog steeds zie en de mensen die elkaar helpen. Omdat ik weiger te aanvaarden dat we elkaar werkelijk zoveel haten als de daden van bepaalde enkelingen doen uitschijnen. Ik geloof dat ondanks alles de wereld een goede plek is, met goede mensen.

Ik ga op zoek naar de helpende handen. En ze zijn overal. Het zijn de mensen die hun warme huis aan wildvreemden aanbieden, taxichauffeurs die de meter afzetten om verwarde passagiers in veiligheid te brengen, virale solidariteit in de vorm van warme boodschappen op sociale media, spontane noodhulpacties, een enkeling die een piano versleept naar het stadscentrum om muziek te spelen. Ik zoek deze helpende handen, en zij trekken mij mee naar boven. Ik zoek deze helpende handen, en zij trekken iedereen mee naar boven.

Zie je, empathie is niet zomaar iets dat ons overkomt zoals bijvoorbeeld een aanslag of natuurramp ons overkomt. Empathie is een keuze die we maken. Kiezen voor liefde, medeleven en hulp betekent dat je je onvoorwaardelijk inzet voor het leven van anderen. Je zegt: ‘Ik zal jouw verdriet op de eerste plaats zetten, ook al ben ik zelf diep geraakt. Ik zal er voor jou zijn, ook al voel ik mij zo alleen. Ik zal begrip tonen, ook al begrijp ik er zelf niets van.’ En door die keuze te maken met zoveel mogelijk mensen – allemaal individueel bang, eenzaam en verward – verspreid je een collectieve boodschap die luider schreeuwt dan haat en horror: ‘L’amour est plus fort que la haine.’ Zo redden we elkaar een beetje.

Zo’n 48 uren zijn gepasseerd sinds het gebeurde. Ik ben al sinds vrijdagnacht aan het schrijven in de hoop dat mijn pen een antwoord kan vinden. Ik heb lang getwijfeld om te praten over hoe ik mij voel bij alles wat er gebeurd is. Ik weet dat ik door mijn bevoorrechte positie waarschijnlijk mee een oorzaak ben van de gevolgen. Ik wil het verdriet van anderen niet recupereren of verstommen in een overschot aan opinie en egocentrisme. Maar ik deel het nu toch. Omdat ik op deze manier wil zeggen: ‘Ik zal jouw verdriet op de eerste plaats zetten, ook al ben ik zelf diep geraakt. Ik zal er voor jou zijn, ook al voel ik mij zo alleen. Ik zal begrip tonen, ook al begrijp ik er zelf niets van.’ Ik wil niet vechten, ik wil niet rebelleren, ik wil geen kant kiezen. Ik wil gewoon helpen, graag zien en graag gezien worden. Ik ben niet boos. Ik ben soms bang, maar ik laat de angst die ik mag voelen mij recht in de armen van liefde en begrip leiden. Misschien is dat wel het antwoord: hou van elkaar, onvoorwaardelijk. Ik zie alleen maar mensen hier.