We gaan allemaal vooruit

Je plaatst twee waarheden naast elkaar. De eerste: je ziet ze allemaal graag. De tweede: je bent moe. Je vertelt het hen niet. Je neemt je voor: binnenkort. Je geeft nooit minder dan het allerbeste van jezelf. Misschien blijft er daarom zo weinig van je over. De dokter zegt: ‘Voor anderen zorgen is een oefening die zich strekt in de oneindigheid.’ Hij is slim. Je zit zwijgend in de stoel. Iedere keer, op het einde van het gesprek, vraagt hij: ‘Komt er nog een volgende afspraak?’ Het is een test waar je graag voor wil slagen.

Dingen die je onlangs geboeid hebben, meer dan normaal: het bloedrode paars van de blauwe plek op je knie, alle gepassioneerde vrouwen die hun mond bedekken tijdens het lachen, de rustige steegjes verborgen tussen de straten van Gent – hoe autonoom en onaangetast ze lijken, alsof ze hun eigen ecosysteem hebben, alsof ze ons kunnen overleven – en hoe je jezelf uitwist wanneer je mensen gerust wil stellen. Het gaat goed. Echt. Je moet uit dat soort kleine tijdsmomenten stappen. Je moet in het licht van de dag bestaan. Je moet de aanwezigheid van alles nederig, grenzeloos, oprecht en buitengewoon angstaanjagend toelaten. Maar het blijft moeilijk.

‘Ik wil niet dat je je leven voorstelt als een romanpersonage’, zegt een vriend. Hij staat voor je deur met brood en soep omdat je ziek bent. De uren daarna lig je te huilen op je bed. De mensen zijn prachtig. Het blijft je verbazen. Wanneer hij verhuist, ben je de eerste die de nieuwe plek te zien krijgt. Jullie drinken rode wijn op de vloer van het dakterras. Het regent zachtjes. Achteraf denk je: nooit gaan we nog samen zijn zoals we vanavond samen waren, aan het begin van alles en met nog niets in handen. Middernacht strijkt voorbij en jullie blijven praten. De duisternis hindert niet.

Je bent bang om te gaan slapen. Om terug wakker te worden. Je bent bang om op te staan. Om je aan te kleden. Om aan de dag te beginnen en die weer te eindigen. De week waarin je besluit dat je niet meer mee wil doen, brengt je beste vriend bloemen naar je appartement. Hij doet je water drinken. ‘Soms denk ik dat ik meer moet luisteren’, bedenkt hij, ‘Zeg het mij als ik gewoon meer moet luisteren.’ Je lacht. Je kamerplanten gaan altijd dood, vertel je hem. Je geeft ze te veel water. Het blijft gebeuren. Hij zegt: ‘Dat dingen dood kunnen gaan door ze te veel te geven. Daar ben ik elke dag bang voor. Dat is heel donker. Maar ook heel herkenbaar.’ Een last valt van je schouders. Je wil altijd alles voor iedereen zijn, zodat niemand het je kan kwalijk nemen dat je alleen maar jezelf bent. Maar het is zo eenvoudig om jezelf te zijn bij hem. Het is genoeg.

Hij praat in zijn slaap en zelfs dan luister je aandachtig. Je wil al zijn verhalen horen. ‘Doe dat niet’, raadt hij af, ‘Misschien zeg ik wel iets choquerends.’ Dat jaagt je helemaal geen angst aan, wil je hem toevertrouwen. Omdat je van hem houdt is het aan jou om getuige te zijn van zijn leven. Van alles in zijn leven. Je lacht enkel en zegt: ‘Het is vertederend dat je zelfs ’s nachts niet stil kan zijn.’ Hij antwoordt: ‘Het klopt dat ik nooit stop met praten. Sorry als het soms wat veel is.’

Jullie hebben niet veel, maar jullie hebben dit: een dak boven jullie hoofd, wijn op de tafel, en elkaar. ‘Ik hoop dat je nooit twijfelt aan hoe graag ik je zie’, zegt hij, ‘Want echt, er is niemand waar ik zo veel over praat dan jou.’ Je luistert zonder hem te onderbreken. Als jij praat, doet hij precies hetzelfde. ‘Bij wie ben je gisteren geweest?’ vraagt hij vervolgens. Hij maakt zich constant zorgen dat je jouw tijd verspilt met mensen die je niet waard zijn. Je bent verwonderd, iedere keer opnieuw, door wie je bent als hij over jou spreekt.

Pratend ontdek je wat hem echt bezighoudt. Enige aarzeling klinkt in zijn stem. Je kent die twijfels. Want wie begint met dingen toe te geven, weet nooit waar het eindigt. ‘Weet je nog?’, gaat hij verder, ‘Die avond enkele maanden geleden. We waren beide erg dronken en we zaten neer op de dansvloer. Je vroeg of ik gelukkig was. En dat was ik echt. Weet je nog?’ Je vraagt: ‘Die avond of dat je gelukkig was?’ Hij zwijgt. Drinkt zijn wijn.

Jij telt ondertussen de vormen van gelukkig zijn die geen glimlach vereisen. In een museum voor een schilderij naar adem happen omdat je een nieuwe kleur ontdekt. Uit vliegtuigraampjes turen en je voorstellen hoe het zou zijn om op de wolken te dansen. Op je blote voeten over het warme parket van je appartement lopen als de zon net op is. Een zin lezen die zo goed is dat je moet opkijken van je boek om hem te laten bezinken. De maan die verdwijnt als je er met je duim over veegt en één oog dichtknijpt. Na een lange stilte zegt hij alleen maar: ‘Ja.’

‘En weet je ook nog wat ik toen zei?’, vraag je. Je legt de nagels van je duim en wijsvinger tegen je bovenlip, prikt een beetje in het vlees, merkt die beweging op en stopt abrupt. Hij kijkt je aan. Zijn lippen vormen de woorden in stilte. ‘Je weet het nog’, knik je, ‘Goed. Dat is goed. Onthoud het ook.’ Hij schuift even over zijn stoel. ‘Ik weet dat je soms het gevoel hebt dat je mij moet beschermen’, begint hij, ‘Maar dat is nergens voor nodig. Ik kan meer aan dan je denkt.’

Later die nacht, in bed, vraag je hem of iemand die zelfmoord pleegt veel pijn voelt. ‘Misschien heeft het lichaam een manier om het zenuwcentrum uit te schakelen op zulke momenten’, antwoordt hij slaperig. En dan, zachtjes: ‘Wil je erover praten nu?’ Je draait je op je zij. Hij doet hetzelfde. Het dekbed kraakt. Je hebt verse lakens opgelegd. Speciaal voor hem. Hij ruikt naar alcohol en schone was. ‘Het is trouwens oké als je er nooit over wil praten’, zegt hij, ‘Weet gewoon dat ik er voor je ben.’ Je fluistert: ‘Ik weet het. Ga slapen.’ Hij sluit zijn ogen. Het ritme van zijn ademhalen vertraagt. Je wacht. En dan komt het. Zijn stem. Zinnen die je niet kan verstaan. ‘Het spijt me’, hoor je hem zeggen. Je weet niet eens of hij al slaapt. Maar je luistert. Je luister altijd.

‘Ik weet niet wat ik moet zeggen, maar ik wil niet afleggen’, zegt een vriendin na de dood van een muzikant. ‘Niet afleggen’, antwoord je. ‘Waarom is elke keer mogelijks de laatste keer?’, vraag je. ‘Ik wou dat dit niet gebeurd was’, zegt ze. ‘Zou hij zich heel erg eenzaam gevoeld hebben?’, vraag je. Ze zwijgt. Je weet precies wat ze niet zegt. Wat ze wel wil zeggen. Wat ze niet eens moet zeggen. Jullie weten beide waar dit gevoel vandaan komt. Jullie kennen deze plek. Jullie kennen deze pijn. Dit is niet nieuw.

Er bestaat geen manier om iemand echt in leven te houden eens ze dood zijn. Omdat je het moet opschrijven en dat is niet de waarheid, het is gewoon een verhaal. Verhalen zijn het enige dat we achterlaten. Slimme verhalen, samengesteld uit geselecteerde feiten. ‘Ze hangt haar verhaal aan te veel verschillende kapstokken op’, zegt de filosoof aan de rest van de leesgroep wanneer hij denkt dat je hem niet meer kan horen, ‘Ze schrijft als vrouw, als vriendin, als dochter, als zus, als minnares. Het is te veel constructie. Zij is te veel constructie.’ Maar dat klopt niet. De waarheid is: je gelooft dat je het kan veranderen, wat gebeurd is, dat je het ongedaan kan maken. Natuurlijk kan dat niet. Dood is dood. Daarna rest er enkel nog leven. Tegenwoordig hebben je verhalen meer schaduwen.

In een taxi in Londen, in het midden van de nacht, na een feestje, zegt diezelfde vriendin: ‘Het is de eerste dag van de maand. Vanaf vandaag gaan we aan onszelf denken.’ Jullie zijn de dochters van alle eenzame vrouwen die nooit dachten dat ze het zouden maken. Maar zij deden het toch. Jullie deden het toch. Jullie zijn hier. En jullie zijn wolven. Je levensstrijdkrachten omvatten, in geen volgorde: genoegen nemen met wat onvolledig is, tederheid voor mensen die snel panikeren en in het bezit zijn van een waterdicht noodplan.

Iemand waar je immens veel om geeft wordt ziek. Ze moeten de tumor uit zijn lichaam halen. Je beste vriend stuurt de ochtend van de operatie: ‘Ik ben hier. Ik ben in Gent, in de buurt. Maar ik ben ook hier, aan deze telefoon, altijd.’ Het is raar. Je wordt ‘s ochtends wakker met een berustend gevoel. Hij zal gered worden. Jij zal gered worden. Je vrienden zullen gered worden. Jullie zullen allemaal gered worden, en sindsdien is alles vreemd rustig, alhoewel je zenuwachtig door je appartement ijsbeert, je bewust van elke cel in je lichaam en hoeveel pijn ze allemaal doen door de beklemmende angst om hem te verliezen. Om hen allemaal te verliezen. Om altijd zomaar, van de ene dag op de andere, mensen kwijt te kunnen spelen, even banaal als een sjaal die je laat liggen op de trein: de rest van de dag heb je het koud, voel je aan je hals en is daar enkel je hartslag en een huivering.

Als de dag achter de rug is, als je eindelijk thuis bent, is alles normaal en bekend en vooral heel stil. Het is te veel. Je denkt: deze wereld kan al die soorten levens onmogelijk bevatten. Je voelt dat je gek wordt wanneer je je realiseert dat deze wereld inderdaad zo groot is, dat het inderdaad uit die meest vreselijke dingen kan bestaan wanneer het maar wil. En ook uit de mooiste. We gaan allemaal vooruit. We komen nooit meer terug naar hier. Voorlopig is dat voldoende.

Je zit in je woonkamer. De avondzon schuift langzaam de kamer binnen. Alles gloeit goud. Je kijkt naar de klok, die niet enkel het uur maar ook de datum aangeeft. Het is tijd om hem te bellen, je beste vriend. Als hij opneemt, vraagt hij meteen: ‘Wil je erover praten nu?’ En jij, glimlachend, zegt: ‘Ja.’

 

Advertenties