Ik zie alleen maar mensen hier

Ik heb geen god waar ik mee kan praten. Ik weet zelfs niet wat ik haar vandaag zou vertellen. Dat ik bang ben, misschien. Omdat niets nog ver van mijn bed gebeurt. Omdat ver van mijn bed naast de deur is geworden. Dat ik niet kan slapen, misschien. Omdat de monsters onder het bed zijn opgegroeid, de wapens hebben opgenomen en de nachtmerries realiteit maken. Dat zou ik haar misschien toevertrouwen, mocht ik een god hebben. Nu ben ik vooral sprakeloos. Er zijn geen mooie woorden meer die kunnen beschrijven wat er in mij omgaat. ‘Niet weer’, was het eerste dat ik dacht toen ik vrijdagavond en zaterdagnacht de ernst van de situatie in Parijs begon te snappen, ‘Niet weer. Niet weer.’

Het is bijna 01u00 en de berichten blijven binnenkomen. Geen getalletjes of statistieken, maar rauwe en onbewerkte beelden of getuigenissen van mensen die zich middenin de gruwel bevinden. Mijn hart breekt op zoveel verschillende manier. Dit nieuws grijpt niet naar de keel; dit nieuws verstikt. Ik lig in een donkere kamer, helemaal alleen. Toen ik klein was en het onweerde, zei mijn vader altijd: ‘Het kan niet binnen.’ Maar het kan wel binnen. Door het opgelichte scherm van mijn smartphone schreeuwt de wereld: ‘Niet weer. Niet weer, niet weer!’ Ik heb het donsdeken ver over mijn hoofd getrokken. Ik prevel tegen de leegte, verslagen. Dat is frappant: ik word zelfs niet meer boos. Vroeger werd ik boos, vroeger vloekte en stampte ik, vroeger schreeuwde ik luid.  Ik ben zo stil geworden. Zo verdomd stil. Ik vraag mij af hoe dat is gebeurd.

Het is net 02u00 geworden en ik sta op, niet in staat om te slapen. Ik sleep mij dan maar richting de televisie voor een extra journaaluitzending. Ondertussen blijf ik op mijn iPhone het nieuws volgen: de feiten en de gissingen, de schok en de verontwaardiging. Ik zie ook hoe mensen het gepast vinden om de oprechte angst en bezorgdheid van anderen in vraag te stellen, hoe ze de gevoelens van anderen daardoor minimaliseren. Ik zie hoe ze mensen ‘sentimentaliteit’ verwijten, alsof emoties iets zijn waarvoor je gebrandmerkt moet worden. Er is geen instrument die de intensiteit van het leed van anderen kan opmeten. En er bestaat geen richtlijn voor verwerking. Waarom staan we zo sceptisch tegenover alles wat niet 100% rationeel is? In welke wereld leef je als je nodig vindt om op zo’n moment te schoppen tegen die van een ander?

We hebben zo weinig geduld voor pijn. Dit is het probleem: angst kan je niet netjes afbakenen. Het gaat over de grenzen heen. Verdriet wordt een aanval. De volgende dag, 10u00. Ik zie mensen die uit zijn op polemiek en aansporen om te grijpen naar de harde middelen. Ik zie hoe mensen met een vinger zwaaien: ‘En de rest van de wereld dan?’ Want gevoeligheid voor de ene gebeurtenis wordt beschouwd als ongevoeligheid voor de andere. Ik kan alleen maar hopen dat iedereen de grond onder zich voelt en beseft dat de wereld al die tijd als een gek is blijven draaien. Ik zie hoe mensen hun Grote Gelijk willen halen in een situatie waar waarheid weinig mee te maken heeft.

Mijn maag keert bij zoveel platte polarisering. In plaats van de emoties van anderen af te breken, is het nuttiger om te beseffen hoeveel privilege het niet hebben van die zorgen inhoudt. Ik heb het geluk dat ik mij op het bewuste moment niet  in een concertzaal, voetbalstadion of restaurant in Parijs bevond. Ik heb het geluk dat ik heel snel wist dat alle mensen die ik daar ken veilig waren. Ik heb het geluk dat ik niemand verloor. Ik ben niet één van de miljarden moslims die nu weer maar eens een vreselijk stigma mag dragen omdat enkele idioten mijn geloof zo misbruiken, die zichzelf elke keer opnieuw moet verantwoorden en verdedigen.

En toch ben ik bang. Ze zeggen dat het niet mag. Ik hoor hoe ik niet mag opgeven, want anders winnen ‘ze’. Maar wie zijn zij? Wie zijn wij? Ik zie alleen maar mensen hier. Hebben we dan niets geleerd? Als we ons altijd alleen maar druk maken over welke kant we moeten kiezen, trekken we uiteindelijk allemaal aan het kortste eind. Dat is hoe we allemaal verliezen. Dat is hoe niemand wint. Waarom zou ik dus niet bang mogen zijn? In ‘Listen’, een aflevering van Doctor Who, vertelt Clara (Jenna Coleman) dat angst een superkracht kan zijn. Angst hoeft je niet wreed of laf te maken, het kan je geheime wapen worden. Angst kan ons zachtaardig maken. Angst kan ons samenbrengen. Angst kan ons thuisbrengen. Als we niet toelaten dat het ons verblindt, kan angst onze blik juist verruimen. 

Zaterdagavond, 18u00. Er is een citaat van Fred Rogers die steeds opnieuw opduikt, als een lichtbaken in de donkere maalstroom van haat en cynisme: ‘When I was a boy and I would see scary things on the news, my mother would tell me: Look for the helpers. You will always find people who are helping.’  Dat is wat ik doe. Ik klamp mij wanhopig vast aan de liefde die ik nog steeds zie en de mensen die elkaar helpen. Omdat ik weiger te aanvaarden dat we elkaar werkelijk zoveel haten als de daden van bepaalde enkelingen doen uitschijnen. Ik geloof dat ondanks alles de wereld een goede plek is, met goede mensen.

Ik ga op zoek naar de helpende handen. En ze zijn overal. Het zijn de mensen die hun warme huis aan wildvreemden aanbieden, taxichauffeurs die de meter afzetten om verwarde passagiers in veiligheid te brengen, virale solidariteit in de vorm van warme boodschappen op sociale media, spontane noodhulpacties, een enkeling die een piano versleept naar het stadscentrum om muziek te spelen. Ik zoek deze helpende handen, en zij trekken mij mee naar boven. Ik zoek deze helpende handen, en zij trekken iedereen mee naar boven.

Zie je, empathie is niet zomaar iets dat ons overkomt zoals bijvoorbeeld een aanslag of natuurramp ons overkomt. Empathie is een keuze die we maken. Kiezen voor liefde, medeleven en hulp betekent dat je je onvoorwaardelijk inzet voor het leven van anderen. Je zegt: ‘Ik zal jouw verdriet op de eerste plaats zetten, ook al ben ik zelf diep geraakt. Ik zal er voor jou zijn, ook al voel ik mij zo alleen. Ik zal begrip tonen, ook al begrijp ik er zelf niets van.’ En door die keuze te maken met zoveel mogelijk mensen – allemaal individueel bang, eenzaam en verward – verspreid je een collectieve boodschap die luider schreeuwt dan haat en horror: ‘L’amour est plus fort que la haine.’ Zo redden we elkaar een beetje.

Zo’n 48 uren zijn gepasseerd sinds het gebeurde. Ik ben al sinds vrijdagnacht aan het schrijven in de hoop dat mijn pen een antwoord kan vinden. Ik heb lang getwijfeld om te praten over hoe ik mij voel bij alles wat er gebeurd is. Ik weet dat ik door mijn bevoorrechte positie waarschijnlijk mee een oorzaak ben van de gevolgen. Ik wil het verdriet van anderen niet recupereren of verstommen in een overschot aan opinie en egocentrisme. Maar ik deel het nu toch. Omdat ik op deze manier wil zeggen: ‘Ik zal jouw verdriet op de eerste plaats zetten, ook al ben ik zelf diep geraakt. Ik zal er voor jou zijn, ook al voel ik mij zo alleen. Ik zal begrip tonen, ook al begrijp ik er zelf niets van.’ Ik wil niet vechten, ik wil niet rebelleren, ik wil geen kant kiezen. Ik wil gewoon helpen, graag zien en graag gezien worden. Ik ben niet boos. Ik ben soms bang, maar ik laat de angst die ik mag voelen mij recht in de armen van liefde en begrip leiden. Misschien is dat wel het antwoord: hou van elkaar, onvoorwaardelijk. Ik zie alleen maar mensen hier.

Zoals je nu op dit moment bent, hier op deze plek, zal ik voor eeuwig van je houden

De start van mijn favoriete seizoen vierde ik in Parijs. De lichtstad was gehuld in een laagje smog, maar de zon brak er af en toe toch door. Het was een typische grilligmooie herfstdag: miezerbuien wisselden zich af met verblindende opklaringen. Nochtans regende het de hele tijd toen ik op de Thalys zat. Van het landschap bleef niet veel over: buiten was alles donker en grijs. Met een podcast in de oren deed ik dan maar nog een beetje research. Ik moest in de Franse hoofdstad zijn voor een opdracht en ik had maar een paar uurtjes om daarna in de stad door te brengen. Veel inplannen lukt je dan niet natuurlijk, want er zijn bepaalde factoren waar je op voorhand geen rekening mee kan houden. Zoals verkeersopstoppingen, lange wachtrijen, regen of je eigen emoties. Gelukkig was het niet mijn eerste keer in Parijs. Ik weet hoe de stad denkt en hoe het openbaar vervoer onder de grond krult als een verborgen doolhof. Dus ik dwaalde een beetje rond, zonder bewust een richting te geven aan mijn pad.

Ik bekeek een vergeten muurschildering van Delacroix in de kerk van Saint-Sulpice, op een boogscheut van de Jardins du Luxembourg. Geweldig toch hoe mensen urenlang aanschuiven om werk van de schilder te bewonderen in de grote musea en er hier eentje hangt waar je naar kan kijken zonder gestoord te worden? Als je voor het gebouw staat, torent het indrukwekkend boven je uit. Maar vanbinnen scheurt en breekt alles een beetje: glasramen splinteren, vloeren kraken, de verf bladert en het blijkbaar beroemd orgel is bestoft. Ik wou mijn naam schrijven in het vuil maar durfde niets aan te raken, bang dat het uit elkaar zou vallen. De kerk staat op de lijst om opgenomen te worden als Werelderfgoed, maar verkommert voorlopig nog wat. “There is a crack in everything / that’s how the light gets in”, zingt Leonard Cohen. De tand des tijds knaagt volhardend hier.

Aan de overkant van het grote plein vlak voor de kerk vond ik Café De La Mairie, een gezellig zaakje naast een winkel van Yves Saint Laurent. Ik schoof mij op een rieten stoel en nipte van een koffie terwijl ik wachtte tot de regen minderde en strak naar de kerk bleef turen. Ik kan daar enorm van genieten: gewoon zitten en kijken, de omgeving en de mensen observeren, buitengewone details opmerken in schijnbaar doodgewone dingen. Soms moet het niet meer zijn dan dat. Soms wou ik dat het nooit meer hoefde te zijn dan dat.

Toen het opklaarde, drukte ik een paar muntstukken op de rekening en ging ik weer verder. Ik dwaalde tussen de boeken van Shakespeare and Company, rechtover de Notre-Dame, verborgen voor onoplettende voorbijgangers achter dik struiken. Het is een winkel met ruimtes als de hoofdstukken in een roman: je bladert eindeloos en vindt overal verhalen. Toegegeven, de boeken zijn er niet zo goedkoop en vaak overspoelt een golf gretige toeristen de inkomhal. Maar je vindt er wel speciale edities, blinknieuwe titels en fascinerende tweedehandsboeken die honderdvijftigjaar geleden al gelezen werden. De winkel is ook een beetje een scrapbook: overal hangen foto’s van bekende schrijvers en literaire quotes kleven tussen de rekken. Je komt er ogen tekort.

Toen het te druk werd in de krappe ruimte, schuifelde ik verontschuldigend naar de kassa en kocht ik mijn boek – de autobiografie van Julia Child. Ik nam afscheid van de verkoopster met een vrolijk “joyeuse anniversaire”, want zo had haar collega haar even daarvoor begroet. Ze lachte verrast. Eenmaal buiten stond ik tegenover de Notre-Dame, ik knikte beleefd naar het statige bolwerk en kuierde verder langs de Seine. Twee poedels zoefden razendsnel langs mij. “Viens ici!” riep een vrouw in uniform de dolle dieren wanhopig na. De beesten blaften blij en keken niet om.

Op de Passerelle Léopold Sédar Senghor, vlakbij het Orsay-museum, spotte ik liefdesslotjes, een bevreemdend en tegelijk heel logisch fenomeen. Het is een belofte die je vasthaakt aan de ijzeren brugwand: “Zoals je nu op dit moment bent, hier op deze plek, zal ik voor eeuwig van je houden.” Drie mannen verkochten de slotjes voor een prikje. Je kan op alles een prijs plakken in deze wereld, als je dat echt wil. Maar dat moet niet. Op het einde van de brug kocht ik een zakje gepofte kastanjes van een dakloze man. “No pay”, glimlachte hij oprecht vriendelijk, “Tu as l’air amoureuse.” Hij kuste zijn vingers en gebaarde theatraal. Ik gaf hem toch het geld en wenste hem nog veel succes. Sommige dingen zijn onbetaalbaar.

In de Tuileries, aan de overkant van de brug, installeerde ik mij op een groen metalen stoeltje. Mijn vuilwitte, maar comfortabele sneakers rustten op een stoeltje dat ik tegenover mij schoof. En ik dacht heel even: “Dit is het. Dit is de plaats waar ik blijf.” Maar dan moest ik weer weg. Treinen halen, altijd maar ergens moeten zijn, en altijd ergens anders, bij andere mensen. Soms denk ik dat het jachtige ritme van dit leven niet op mijn maat gemaakt is. De ene dag gaat alles te snel en wil ik momenten bevriezen, in de ijskast stoppen en bewaren voor later, voor wanneer ik wel tijd heb. Andere dagen is de tijd tergend traag en wil ik het wachten overslaan, een snellere route nemen naar het moment waarop ik de afloop al ken.

Daar maak ik mij de laatste tijd veel zorgen over maak: is dit de juiste beslissing? is dit waar ik naartoe wil met mijn leven? kan ik nog terugkomen op mijn stappen? Mijn grootste talent is piekeren of de goede dingen wel echt goed zijn, en de slechte dingen echt zo slecht. Ik moet dat leren loslaten, leren dolen zonder bewust een richting in te slaan en er blindelings op vertrouwen dat ik mooie dingen zal tegenkomen. Het leven verandert onderweg. Ik denk dat we de grote veranderingen in het leven misschien niet altijd herkennen. Omdat grote veranderingen ook heel klein kunnen zijn: een glimlach van een vreemde, een prachtige snipperdag in een chaotisch jaar, een zin die je leest en je hart doet zwellen, een beslissing om het vanaf nu zus of zo aan te pakken. De bochten blijven daarom enkel dat: bochten, een deel van de baan. Vooruitgaan is nu eenmaal een instinct. En plots sta je dan in het midden van een drukke stad en je vraagt je af: “Wanneer is alles zo anders geworden?” Alles voelt vertrouwd aan, maar eigenlijk herken je niets meer. En als je daar dan bij stilstaat, zelfs als is het maar een fractie van een seconde, dreig je in één klap alle pedalen te verliezen.

Maar ik trapte verder. Aan de puntige Luxorobelisk op de Place De La Concorde dook ik weer ondergronds om met de metro naar het grote Paris Nord te pendelen. In dat station dreig je al snel jezelf te verliezen in de grote menigte. Daar hou ik stiekem wel van: de anonimiteit van zulke drukke trekpleisters, hoe je daar gewoon heel even niemand kan zijn maar toch deel uitmaakt van iets groter. Pas toen ik op de Thalys naar Brussel stapte, sloeg de vermoeidheid toe. Dankbaar ging ik in het roodfluwelen zeteltje zitten. De hele weg heb ik gedachteloos door het raam gestaard. Mijn smarphone biepte opdringerig: de klantendienst die mij op de hoogte stelde van de tarieven. Voor ik het wist, waren we de grens overgereden. Het is onwaarschijnlijk hoe snel je van de ene plek op de andere kan zijn. Het is herfst. Alweer.

Vandaag is het 1 september

Vandaag is het 1 september. Strak gespannen rugzakriemen bungelen rond flink gerechte schouders en hartjes kleiner dan drie blinken in verse zwarte inkt op de neus van een nog niet platgetreden paar All Stars. Om de hoek van de straat staat een gniffelend groepje jongeren stiekem te roken. Aan de schoolpoort is het afwachten: de kliekjes zijn nog niet in steen gebeiteld. Natuurlijk zijn er de vaste waarden, de populaire pionnen. Zij weten waar ze aan toe zijn. Zij kennen hun plek. Maar vandaag kan er nog geschoven en geruild worden. Vandaag valt er nog wat te regelen. Vandaag kan alles nog veranderen. Vandaag is het 1 september.

In de media zie ik de standaardverslagen die bij deze dag horen en uiteraard verwacht worden: de traantjes van kersverse scholiertjes en hun ouders, de pas afgestudeerde leerkrachten die ook aan hun eerste schooljaar beginnen en de nieuwe regels, methoden en technologieën die geïntroduceerd worden. Pesten en ongelukkig zijn op school, daarover reppen we vandaag geen woord. De handen worden nog beschermend om de oren geslagen, er wordt nog gesust dat dit jaar heel plezant zal zijn, dat we een toffe juf zullen hebben en veel vriendjes. Ge zult wel zien. Dat gaat allemaal vanzelf.

Maar dat neemt niet weg dat er duizenden jongeren vandaag met een slecht gevoel richting de schoolbanken zijn vertrokken. Duizenden jongeren die gisteren de slaap niet konden vatten. Duizenden jongeren die hebben gesmeekt, gepleit en gehuild om maar niet te moeten terugkeren naar die plek. En nog eens duizenden jongeren die zwijgen. Omdat praten over pesten of ongelukkig zijn op school nu eenmaal niet gemakkelijk is. Je wil iedereen laten denken dat alles ok is, dat je de tijd van je leven hebt. Dus je sluit met verkrampte uitdrukking de ogen en antwoordt snel en ingestudeerd het enige wat je intussen echt hebt bijgeleerd: “Ja, ’t was leuk vandaag op school.” Om je vervolgens op te sluiten op je kamer met de muziek loeihard.

Na al die jaren bezorgt de eerste schooldag mij nog steeds een vage knoop in de maag. Ik loop de hele dag op eieren. Omdat ik het me plots weer allemaal herinner: het alleen huilen op het toilet, de vrienden die mij van de ene dag op de andere uitsloten, de scheldnamen die ik naar mijn kop geslingerd kreeg, de blikken die mij werden toegeworpen, de conversaties die stopten net als ik in de rij aansloot, de turnlessen waarin niemand mij koos in hun groepje, het dralen voor het gebouw en twijfelen of ik niet gewoon zou brossen. Een hele hoop heb ik gewoon verdrongen. Want ik vond na die periode wel vrienden. Ik had een groepje waar ik thuishoorde en geaccepteerd werd, vaak tot mijn eigen verbazing. Ik mag dus niet klagen. En toch, vandaag is het 1 september en ben ik onbewust gespannen. Alsof ik straks opnieuw zal moeten opboksen tegen strenge leerkrachten, genadeloze pestkoppen, verwachtingsvolle ouders.

En bovenal het eeuwige spelletje van er wel of niet bij horen, van de juiste kledij dragen en de juiste woorden hebben, van naar de juiste muziek luisteren, de juiste mensen kennen en op de juiste feestjes zijn. Een spel dat, hoe ouder je wordt, steeds vaker gespeeld wordt op psychologisch niveau. Een spel dat en plus geen garanties heeft, want ook al volg je flink alle regeltjes, dan nog kan je kop van jut worden. Wat op jonge leeftijd begint met trekken, duwen en koeioneren, evolueert later naar een mentale oorlog, zowel op de speelplaats overdag als ’s avonds online. Je plooit en plooit en plooit, tot je op een dag breekt. Elk jaar worden er initiatieven uit de grond gestampt tegen pesten. Er worden liedjes gezongen en armbandjes gedragen. En elk jaar duiken er ook weer horrorverhalen op: video’s van kinderen die elkaar in elkaar schoppen aan bushaltes, jongeren die uit het leven stappen omdat ze (onder meer, want dat is nooit de enige reden) het pestgedrag niet meer aankunnen.

Lieve jonge mensen: wees dit jaar alstublieft verdraagzaam en lief voor elkaar. Begrijp dat niet iedereen is zoals jij maar dat die verschillen juist interessant kunnen zijn. Je kan zoveel leren van elkaar, misschien zelfs meer dan van de verplichte lessen. Kom voor elkaar op in plaats van elkaar de grond in te duwen. Sluit niemand uit en help elkaar. Een vriendelijk gebaar maakt je niet zwak. Integendeel, vriendelijkheid is jouw superkracht. Want als je nu al leert om respect en empathie te hebben voor je medemens, dan kan je op een dag misschien de hele wereld veranderen. Daar ben ik zeker van. En geloof me, uiteindelijk proberen wij allemaal – jong en oud – gewoon de dag door te komen. Niet alleen de eerste schooldag, ook alle dagen die daarop volgen, de rest van ons leven. En dat gaat zoveel gemakkelijker als we wat meer begrip hebben voor elkaar. De wereld is al hard genoeg. Vandaag valt er nog wat te regelen. Vandaag kan alles nog veranderen. Vandaag is het 1 september. Veel succes.

Leren ja zeggen op de grote dingen

Soms vraag ik me wel eens af waarom mijn huid zo verschrikkelijk bleek is. Het lijkt wel wit printpapier waar je op kan tekenen. Ik heb recent iemand ontmoet met zoveel sproeten in haar gezicht dat wanneer de zon fel schijnt, haar huidskleur lijkt te veranderen in dat licht. Het is zo mooi. De zon schijnt tegenwoordig vaak. En als het regent, dan zeggen de mensen: “Het duurt nooit lang.”

Ik denk regelmatig: “Wat als ik nu begin te schreeuwen? Hier, tussen al deze mensen?” Een langgerekte schreeuw die mijn longen doet zwellen en barsten en klappen. Een schreeuw met een bijna holle echo. Een schreeuw zonder taal zelfs, enkel een onsamenhangende brij van geluid. Woeste lettergrepen die niemand begrijpt. Niet een oerkreet, maar dieper. Ik denk regelmatig: “Wat als ik nu heel hard zou schreeuwen? Hier, tussen al deze mensen?” En dan hou ik mijn mond dicht en blijf ik muisstil.

Misschien lees ik te veel boeken. Misschien zoek ik het leven op de plaatsen waar ik mij voor dat leven kan verstoppen. Tussen de lijnen word ik iemand anders: een personage dat knapper, sterker, liever, moediger en intelligenter is. Als ik de laatste zin heb gelezen, dan wil ik meteen opnieuw beginnen. Hetzij in datzelfde boek, helemaal opnieuw, van bij het begin, hetzij in een volledig nieuw verhaal. Zolang ik mezelf maar niet tegenkom, ben ik perfect gelukkig. En als ik dat toch doe, mezelf tegenkomen, dan leer ik daar tenminste iets over bij. Dat is goed.

It’s a shame we carry. The shame of wanting something good. The shame of not believing we deserve to stand in the same room in the same way as all those we admire,” fluoriseerde ik in The Chronology of Water van Lidia Yuknavitch. Ik moet stoppen met mij te verontschuldigen voor de plaats die ik inneem in de wereld en voor de plaats die ik nog probeer te veroveren. Ik heb recht op ruimte, op carrièrekansen, op aandacht, op vooruitgang. Ik moet leren ja zeggen op de grote dingen, zelfs wanneer ik denk dat ik het niet verdien.

De voorbije maanden waren er veel vage plannen, veel misschien, veel als, veel het zou kunnen. En alles hangt daarbij elke keer een beetje af van iets anders, dat weer van iets anders afhangt, dat weer van iets anders afhangt, enzovoort. Nog geen enkel knoopje is echt gestrikt. Ik hoop dat alles zich binnenkort netjes aan elkaar rijgt en dat ik me dan aan die duidelijke lijn kan vasthouden.

Toen ik een tiener was, heb ik ooit eens mijn toekomst laten voorspellen door een charlatan op de kermis. Niemand nam het echt serieus. Ik kan me zelfs niet meer herinneren wat ze over mijn leven zei, die charlatan, maar de lijnen in de palm van mijn hand groeven nog steeds langs dezelfde bochten en ik ben nog altijd niet helemaal zeker wat de toekomst nu precies inhoudt.

Ik zag onlangs iemand die ik al meer dan vijf jaar niet meer heb gezien en ik wist gewoon niet wat ik moest zeggen. Misschien weet niemand echt hoe hij met het verleden moet praten. Vroeger verstonden we elkaar allemaal zo goed. Nu begrijpen we niets meer van mekaar. De toekomst heeft een andere taal, eentje waarvan ik de woordenschat niet meester ben. Het heeft geen zin om te proberen het te beheersen want de tijd tikt toch weer verder. En hoe ouder je wordt, hoe meer je beseft dat die vervreemding van vroeger helemaal geen uitzondering is. Het is de regel. Tot binnenkort.

Pleidooi voor een trage zomer

Hot summer streets
And the pavements are burning
I sit around
Trying to smile
But the air is so heavy and dry

 – Cruel Summer, Bananarama

Zoveel mensen zijn geïnteresseerd in antwoorden, terwijl ik alleen maar vragen stel. Steeds opnieuw, het hele jaar door: “Waarom?” Soms voelt het alsof alles en iedereen even genoeg heeft van mijn gezeur, mij naar de hoek wijst en afgemeten snauwt: “Omdat ik het zeg.” In de zomer sluimert de onrust altijd een beetje. Alles is lomer, trager en feller verlicht, waardoor je de wereld net een beetje helderder kan beschouwen. De schaduw is niet meer beangstigend, maar net een plek waar ik dankbaar schuil. Misschien ben ik zo gevoelig voor het licht omdat ik me zo lang in het duister hulde. Misschien heb ik gewoon een sterkere factor zonnecrème nodig, een beschermend laagje tussen mij en de wereld.

Hoe hoger de temperaturen klimmen, hoe trager en zwaarder mijn hart klopt. Ik adem de hete lucht in en alles vanbinnen brandt. Ik brand. De vlammen likken en ik laat het toe, ik schreeuw niet om hulp. Want ik heb geen hulp nodig. Ik weet precies wat er gebeurt en waar ik ben. In de zomer sta ik stil en maak ik me minder druk over vragen of antwoorden. Ik kijk door het open raam en zie de fel verlichte wereld. Ik nip van dure drankjes, ik luister naar de muziek, ik voel het gras tussen mijn vingers en ik lach op achterbanken, steeds kijkend naar de mensen. Ze lachen terug. En ik denk: Waren we altijd zo gelukkig? Zullen we altijd zo gelukkig blijven?

Er is geen reis gepland deze zomer. Sommige mensen begrijpen het niet. Ze kijken er een heel jaar naar uit. Ze checken zich in bij grote hotelketens, ze posten foto’s van het pootjebaden. Zelfs in ons verlof strijden we tegen elkaar: de mooiste cocktail, de kleurrijkste strandhanddoek, de meest originele bestemming. “En ga jij nog op congé?” vragen ze gretig, een open deur naar een parelwit strand. Ik haal mijn schouders op: “Ik had wel wat dingen in gedachten, maar nee…” Mijn stem sterft weg, verdampt in de hitte, en ik lach verontschuldigend.

Neen, er is geen reis gepland. Het is geen kwestie van onder de kerktoren versus wanderlust. Ik hou zeker van reizen. Ik heb deeltjes van de wereld gezien. Het vliegtuig dropt je in het centrum van een nieuwe, eeuwenoude stad. De treinen sleuren je traag langs kronkelende wegen door het landschap. Auto’s zoeven over asfalt. Ik wil nog veel meer deeltjes van de wereld zien. Zeker als alles zo helder is. Ik wil een rode lijn zijn op een kaart die steeds verder weg lust van de plaats waar ik geboren ben.

Ik weet niet meer of ik het ergens heb gelezen, of het zelf heb bedacht, maar in elke nieuwe plek kijk ik ’s nachts op naar de sterrenhemel. En omdat ik geen verstand heb van die zaken, ziet die sterrenhemel er altijd precies hetzelfde uit: donker, met hier en daar vlekjes licht. Ik wil overal in de wereld komen, en daar mezelf weer vinden en besluiten dat ik er precies hetzelfde uitzie: donker, met hier en daar vlekjes licht. Voorlopig weet ik waar ik ben en waar ik eventjes zal blijven. Binnenkort misschien, dan vertrek ik weer. Maar niet nu. Een zorgrimpel graaft zich diep over hun voorhoofd. Alsof ik te beklagen ben omdat ik niet naar het buitenland vertrek. Maar ik vind het niet erg. Ik hoef de grens niet over. Ik moet niet ver reizen om mezelf te vinden: ik ben hier, gewoon hier, zoals altijd.

Ik heb het gevoel dat ik niets en tegelijk alles aan het doen ben. Niets, omdat ik een rustpunt inlas. Alles, omdat ik op dat punt sta en plan in welke richting ik zal stappen wanneer het denderen weer begint. Ik wil het verleden vasthouden, maar ook de toekomst bekijken. Er zijn dagen waarop er helemaal niets gebeurt, en dan lijkt het alsof ik niets te vertellen heb. Maar er is altijd een verhaal. Het duurt gewoon wat langer voor er een duidelijke lijn in het plot komt. Soms kijk ik naar het water en dan voel ik een dwingende drang om te springen, te duiken, de golven rond mijn lijf te wikkelen. Ik weet precies waar ik sta. Stil. Een klif is ook gewoon maar een rand. Ergens is er een zee waar ik wel zal zwemmen. Maar voorlopig niet.

De zon brandt tegen mijn huid. De warmte houdt nu al dagen aan. Een hittegolf overspoelt je, beukt tegen je hele wezen aan. Ik wil alles doen, maar ik doe niets. Ik beweeg amper, als een dier dat zich voor dood houdt. Dat is slim, dat is overleven zonder echt te moeten leven. Er zijn veel mensen in mijn omgeving die aan het echte leven beginnen. Ik zie het op prikborden, ik lees het in uitnodigingen, het schittert in de diamanten ringen. Ik stuur ze mijn beste wensen, ik kir hoe mooi hun baby is, ik zeg hoe trots ik ben. Ze vragen mij: “En hoe zit het met jou?”

Ik weet precies waar ik ben, of beter: waar ik naartoe wil, in welke richting ik zal stappen wanneer alles weer begint. Ik heb een plan, een rood pinnetje op een denkbeeldige kaart van mijn leven. Ik kan er niet naar wijzen, maar ik weet het wel heel zeker: “Daar! Daar ga ik naartoe.” Voor het eerst heb ik iets – een droom – zo lang in mijn handpalm gesloten dat het niet meer wegvliegt als ik mijn vuist weer open. De dingen die je echt dierbaar zijn, kan je loslaten, net omdat ze niet zomaar verdwijnen. Het verschil leren kennen is volgens mij de truc van volwassen worden.

“En hoe zit het met jou?” Zoveel mensen zijn geïnteresseerd in antwoorden, terwijl ik alleen maar vragen stel. In de zomer niet, in de zomer sta ik stil. Ik bestudeer de mensen en ik vraag mij af: Waren we altijd zo gelukkig? Zullen we altijd zo gelukkig blijven? Wat als het echt altijd zo goed blijft? Ik besef plots dat het iets is dat ik nooit had overwogen. Dat het niet alleen goed kan zijn, maar dat het ook goed kan blijven. Misschien ben ik zo gevoelig voor het licht omdat ik me zo lang in het duister hulde. Want meestal ben ik zo druk bezig met twijfelen, met nerveus op mijn lip kauwen, met ijsberen, met wikken en wegen, met angstig om mij heen te kijken, met voorzien waar het straks mis zal lopen. Maar wat als het zo goed blijft? Misschien was even stilstaan exact wat ik nodig had om dat te beseffen, om in mijn handpalm te staren en de gemoedsrust te zien: daar, nog steeds daar. Losgelaten en toch gebleven.

Dat is de schoonheid van een trage zomer, een zomer waarin je jezelf toelaat om stil te staan. In onze snelsnelsnelmaatschappij moet alles meteen gebeuren, en het moet ook meteen perfect zijn. Ik weet niet wanneer we allemaal zulke haastige mensen geworden zijn. We hebben geen tijd om een stap terug te nemen. Want het moet vooruit. Ik ben een heel jaar lang zo intens bezig geweest met mezelf op te bouwen, maar ik vergat om ook te kijken naar wat ik er uiteindelijk van gemaakt heb. Ik weet niet wanneer ik zo’n haastig mens geworden ben. Het gebeurde plots, en nu lijkt het alsof ik niets anders kan zijn: iemand met haast, iemand die nodig ergens moet zijn, iemand die geen tijd heeft.

Ik ga dus niet ver weg. Ik loop mezelf even niet meer voorbij. Integendeel, ik kom mezelf om elke hoek weer tegen, een oude bekende die ik bijna vergeten was. Ik steek mijn hand op in een begroeting: “Fijn je weer te zien.” Ik hou mij rustig, als een dier dat zich voor dood houdt. Overleven zonder echt te moeten leven, zonder ook maar iets te moeten. Ik sta stil. Ik bezin weer voor ik begin. Dat is de schoonheid van een trage zomer: ik mag.

And so with the sunshine and the great bursts of leaves growing on the trees, just as things grow in fast movies, I had that familiar conviction that life was beginning over again with the summer,” schreef F. Scott Fitzgerald in The Great Gatsby. Het leven begint opnieuw. Straks begint het razen weer, straks stijgen de verwachtingen sneller dan de temperatuur. Straks moet ik weer presteren, afleveren, indienen, bewijzen. Straks moet ik weer vooruit, verder, bewegen. Straks wordt mijn waarde gemeten in resultaten en in tijd. Straks ben ik weer een plus of een min, meer niet.

Maar voorlopig sta ik even stil, brand ik vanbinnen en schreeuw ik niet om hulp. Ik heb het gevoel dat ik niets en tegelijk alles aan het doen ben. Ik kijk door het open raam en zie de fel verlichte wereld. Ik nip van dure drankjes, ik luister naar de muziek, ik voel het gras tussen mijn vingers en ik lach op achterbanken, steeds kijkend naar de mensen. Ze lachen terug. En als iemand mij op dit moment zou zeggen dat het altijd zo goed blijft, dat we altijd zo gelukkig zullen zijn, zou ik het misschien zelfs geloven. Want het leven begint opnieuw. Dat is de schoonheid van een trage zomer. Tot binnenkort.

 

Morgen misschien

Ik heb ergens gehoord dat het internet de enige plek is waar niets verdwijnt, misschien daarom dat het de plaats is waar we altijd komen om dingen te zoeken.  Sommigen zullen het misschien niet gemerkt hebben, maar ik ben een tijdje niet aanwezig geweest op dit webadres. Nadat mijn bericht over schoonheidsidealen door ongeveer een half miljoen mensen gelezen werd en in de media uitvoerig was besproken, besloot ik om even een blogbreak in te lassen. Viraal is verrassend, maar ook heel vermoeiend. Ik kreeg enorm veel leuke reacties. Ik kreeg ook een aantal minder leuke reacties. Lang verhaal kort: de online storm dreigde mij een beetje te overspoelen, en ik wou vermijden dat ik verdronk. Ik had ademruimte nodig.

Dus ik nam een stap terug, en daarna nog eentje, en dan nog eentje, en nog eentje – tot ik het bijna niet meer durfde om terug te komen. Alsof ik niet meer welkom zou zijn. Waarom? Er zijn veel redenen. Maar eentje kwam altijd terug: omdat ik het gevoel had dat de verwachtingen nu hoger lagen. Omdat ik perfect moest zijn, en omdat ik perfect wou zijn. En omdat ik dacht dat ik dat niet kon, perfect zijn, bleef ik weg. Het is een slechte gewoonte van mij, een soort van diepgewortelde faalangst: als ik niet de volle 100% kan geven, dan geef ik liever helemaal niets. Want niets is nog altijd beter dan iets dat niet perfect is. Het is de angst om niet goed genoeg te zijn, en vroeg of laat door de mand te vallen, met als gevolg omgekeerd overcompenseren: je misdragen of, in mijn geval, stilvallen. De lat lag hoog en ik wou niet springen, bang om op mijn bek te gaan. Dus ik stelde het uit. Ik redeneerde in tijd: morgen misschien. Als ik het perfecte onderwerp heb. Morgen misschien. Als ik de perfecte woorden vind. Morgen misschien.

Noem het geen writer’s block. Ik bleef nog altijd schrijven. Uiteraard. Ik schrijf altijd. “Het enige geluk dat je hebt is iets nieuw schrijven, in het midden van de nacht, met vochtige oksels, bonzend hart, iets dat nog niemand gelezen heeft,” pende Lorrie Moore in haar verhaal ‘How To Become A Writer’. En dat is het ook voor mij: schrijven maakt mij gelukkig. Maar ik hou het meeste voor mezelf. Zolang het achter een wachtwoordmuur schuilt of ergens in een notitieboekje staat, kan ik mezelf nog overtuigen dat het perfect is, of perfect kan zijn, of perfect zal zijn. Morgen misschien, als ik de perfecte woorden heb gevonden. En het perfecte onderwerp. Deze blog bleef echter knagen. Enkele lieve lezers stuurden mij bezorgde berichtjes: “Ben je gestopt?” Alsof het een soort van verslaving is waar je van af kan kicken. En dat was het eigenlijk ook een beetje: ik ging blog cold turkey. Voila, het beest heeft een naam. Hoe langer ik stil bleef, hoe meer de lege blog aanvoelde als een zeurend kind dat in mijn ooghoek om aandacht vroeg. “Ik kom terug,” beloofde ik, de slechte ouder, “Morgen misschien.” Ik staarde naar het scherm, mijn blik op oneindig maar tegelijk zo in mezelf gekeerd. Ik heb ergens gehoord dat het internet de enige plek is waar niets verdwijnt, misschien daarom dat het de plaats is waar we altijd komen om dingen te zoeken. Wat zoeken we? Volgens de cijfers die jaarlijks vrijgegeven worden door zoekmachines, is dat meestal Kim Kardashian. Volgens mij is het onszelf.

Sommigen zullen het misschien niet gemerkt hebben, maar deze blog ziet er een beetje anders uit dan vroeger. Er is veel verdwenen, een beetje gebleven en het thema is anders. Het zit namelijk zo: ik ging viraal met mijn artikel over schoonheidsidealen, en plots zei iedereen hoe goed het was en plots voelde ik de druk om vanaf nu ook elke keer perfect te zijn. Viraal is verassend, maar ook vermoeiend. En toen las ik een stuk op Rookie Mag over het beheersen van je online persoonlijkheid. Het stuk verdedigt het controleren van je internetvoorkomen: “Niets op het internet verdwijnt, maar het is geen schande om, als je kan, zaken te verwijderen die niet meer overeenkomen met wie je bent.” Ik ben opgegroeid met het internet, en door de jaren heen heb ik daar deeltjes van mezelf achtergelaten, als broodkruimeltjes. Maar die broodkruimeltjes brengen me niet altijd terug naar de juiste plek. Ergens in de krochten van het wereldwijde web schuilen de beste versies van mezelf, maar – helaas vaker – ook de slechtste. Ik wil niet altijd terug, ik wil veranderen, ik wil vooruit. Want ik verander ook constant, en ik ga ook altijd vooruit. Althans, dat hoop ik toch. Er is een quote van de dichter Walt Whitman die ik vaak potsierlijk aanhaal: “Do I contradict myself? / Very well, then I contradict myself / I am large, I contain multitudes.” Ik knipper met mijn ogen, en ik verander.

Het voorbije half jaar zijn er een aantal dingen veranderd en een aantal kansen deden zich voor. Ik hoop jullie alles binnenkort te vertellen. En zo niet, dan spreek ik mezelf maar tegen. I am large, I contain multitudes. Ik knipper met mijn ogen, en ik verander. Een half jaar later ongeveer, en deze blog is ook veranderd. Dat had ik nodig om de bezorgde vraag van die lieve lezers te beantwoorden: neen, ik ben niet gestopt. Zeker niet. Bedankt om te lezen. En bedankt om te wachten. Maar ik ben niet gestopt. Ik drukte alleen eventjes op pauze. Ik knipperde met mijn ogen, en alles was anders. Ik ben hier, ik ben terug. Een beetje anders, maar nog steeds dezelfde. Het zal niet altijd perfect zijn. Dat kan ik niet beloven. Maar dat hoeft ook niet. De filosoof Alain De Botton schreef ooit: “Work finally begins when the fear of doing nothing exceeds the fear of doing it badly.” Het werk begint wanneer de angst om niets te doen de angst om het slecht te doen overstijgt. Ik ben nog steeds overdonderd en gebrekkig, maar ik ben terug. Het werk begint. Eindelijk. Tot binnenkort.

Het onbewaakte moment

Twintig jaar geleden verdwenen twee meisjes. Twintig jaar geleden werd alles plots onveilig. Er komen regeltjes. We mogen niet meer met vreemden spreken, alleen op pad is verboden, witte bestelwagens zijn altijd verdacht, en zeker voor het donker thuis. Twintig jaar geleden was ik zelf nog een kind: vijf jaar, mij van geen kwaad bewust. De boze wolf was toen nog gewoon een wolf, geen mens van vlees en bloed met slechte bedoelingen.

Ik werd ouder. En ik speelde nog altijd buiten. De beelden op televisie waren vaag, maar ze waren er wel: twee meisjes, nog meer meisjes, een verborgen kruipkamertje achter een kast. Mijn ouders die huilden voor het televisiescherm toen hun kleine lijfjes uit het huis werden gehaald. Ze rilden. Mijn ouders ook. De mensen spuwden hun helderwit gal. Een nooit geziene massa golfde traag door de hoofdstad. Ingetogen woede die alles veranderde. Omdat het moest. Omdat het nodig was. Omdat we daar veel te lang niet bij stil hadden gestaan. Omdat twintig jaar geleden twee meisjes zomaar konden verdwijnen. En omdat we ze niet vonden. Niet op tijd.

Ik was nog een kind toen. Het zijn allemaal heel troebele herinneringen. Het is een verhaal dat tijdens mijn jeugd altijd op de achtergrond verteld werd, een verhaal waar niemand lang en gelukkig leefde op het einde. Ik hoorde het in flarden – ‘Het is toch zo verschrikkelijk’ – en ging dan verder spelen. Ik snapte niet goed hoe erg het was, en waarom. Ik had een vriendinnetje dat als de dood was voor hem, de boze wolf van vlees en bloed. Toen hij even ontsnapte zag ze hem achter elke vreemd vervormde boom en elke scherpe straathoek. Ik vond het grappig, ik joeg haar graag de stuipen op het lijf: “Pas op, daar is hij, op vrije voeten!”

De kranten brachten uiteindelijk het verlossende nieuws: de boswachter had hem kunnen strikken, de wolf zat weer achter slot en grendel. En we lachten eens omdat mijn vriendinnetje zo’n ongelooflijk schijtluis was. Ik begreep het niet. Niet echt. Ik was nog een kind toen. Ik wist alleen dit: niet met vreemden praten, alleen op stap is verboden, witte bestelwagens zijn verdacht, en voor het donker thuis.

“Kinderen hebben geen denkbeeldige vriendjes meer. Kinderen hebben tablets.” Dat merkte ik onlangs grappend  op tijdens een gesprek met een vriendin. Soms zie ik jonge kinderen en heb ik medelijden omdat ze zo verschrikkelijk beschermd/afgeschermd worden, zo nauwlettend in de gaten gehouden. Bouwen ze nog boomhutten? Klimmen ze nog over verboden hekken? Rolschaatsen ze nog onbezorgd naar de speeltuin? Lopen ze nog doelloos door de straten met als enige regel ‘voor het avondeten thuis’? Ik hoop het, maar ik ben het niet zeker. In haar essay ‘The Overprotected Kid’ schrijft Hanna Rosin het volgende over haar dochter: “Toen mijn dochtertje tien jaar oud was, realiseerde mijn man zich dat ze in haar hele leven waarschijnlijk niet meer dan tien minuten zonder toezicht heeft doorgebracht.” Niet meer dan tien minuten. In tien jaar tijd.

Onlangs stond ik in de rij van het postkantoor. Achter mij hengelde een jongen aan de hand van zijn moeder, duidelijk verveeld. De blokkenhoek bleef onaangeroerd. Ik trok een gek gezicht naar het jongetje, om hem op te vrolijken. En omdat ik mij ook verveelde, want ik ben te oud voor de blokkenhoek. De moeder bekeek mij beschuldigend, alsof ik haar zoontje net had aangevallen met een mes. Ik kan het haar achteraf gezien amper kwalijk nemen. De paranoia heeft mij ook te grazen. Toen ik leiding gaf in de jeugdbeweging, was ik zelf als de dood dat ik één van de kinderen zou verliezen. Gewoon: poef! Weg! Ik zag het als iets dat letterlijk elk moment kon gebeuren. Hoe zou ik dat in godsnaam kunnen uitleggen aan de ouders? Ik was op mijn hoede. We zijn allemaal op ons hoede. Als je denkt aan alles wat er kan gebeuren, op hoeveel manier zo’n ukje aan z’n einde kan komen, is het bijna een wonder dat we nog gezinsuitbreiding nastreven. Het is gek dat we anno 2015 niet gewoon mensen klonen van een jaar of twintig, mensen die nooit meer moeten opgroeien in een onveilige wereld waar de wolven loeren.

Het is tegenwoordig een plicht om elke minuut van de dag exact te weten waar kinderen zijn, bij wie en hoe lang, wanneer ze zich verplaatsen, op welke manier, en met wie. We sturen onze kinderen de wereld in zoals we soldaten naar het front voeren: met een bang hart, en met wel honderd worstcasescenario’s in gedachten. We zijn op alles voorzien, behalve het onbewaakte moment. Want dat is wanneer de erge dingen gebeuren, de dingen die we al die tijd vreesden. Het onbewaakte moment. Dat is wanneer kinderen ontvoerd worden, stikken op een stukje ijzerdraad, zich prikken aan een verdwaalde junkienaald, omver gereden worden,… En dan komt er steevast de vraag: “Waar waren de ouders?” En: “Waar was de leerkracht?” Wie was er op het kind aan het letten toen alles fout liep? Wie moest er voor dat kind zorgen? Waar waren we? Waar waren we? Waar in godsnaam waren we?

Het antwoord is: hier, we zijn altijd hier. Speelgoed heeft strikte gebruiksvoorwaarden. Pretparken meten de lengte van kinderen. Wie onder het lijntje krimpt, komt er gewoonweg niet in. Films hebben een leeftijdscategorie. Rond de speeltuin houden vijftien verveelde vaders de wacht. Overal een hekje rond, mooi afgebakend. Achtjarige kinderen krijgen een smartphone zodat ze altijd bereikbaar zijn, zodat er nooit een onbewaakt moment komt. En begrijp me niet verkeerd, dat is uiteraard positief. Hoera met een hoedje op het hoofd! We mogen kinderen niet zomaar hun ongeluk laten inwandelen. Ik zal zeker niet zeggen dat kinderen geen nood hebben aan supervisie. Maar is de wereld echt zoveel gevaarlijker geworden voor kinderen dan toen ik zelf nog een kind was? Dat vraag ik me soms af.

Ik had ook mijn regeltjes: niet met vreemden spreken, niet alleen op pad, witte bestelwagens zijn verdacht, en voor het donker thuis. Een kind opvoeden is een beetje zoals Russische roulette spelen. Waren mijn ouders dan geen goede ouders omdat ik zonder hen toch buiten mocht spelen?  De boze wolf is er altijd al geweest, maar we vrezen hem nu collectief. Het is een angstcultuur die de veiligheidsobsessie in de hand werkt en die ervoor zorgt dat je een slechte, slechte ouder bent omdat je peuter bijvoorbeeld zijn knie schaaft aan het asfalt omdat je eventjes niet keek en hij gevallen is. Schaam op jou!

Wel, laat mij eens iets vertellen over vallen. Ik ben zeven jaar oud en ik kom lelijk ten val vlak voor de automatische schuifdeuren van de supermarkt. Het is een moment dat ik mij nog heel levendig voor de geest kan halen: met mijn gezicht tegen de koude witgrijs gespikkelde tegels. Het doet zoveel pijn, dat weet ik nog, en mijn kin bloedt een beetje, dat overdrijf ik misschien. Maar het doet dus pijn. Koppig kind als ik ben, besluit ik dat ik nooit meer zal vallen. Een eenzijdige deal met het universum. Nooit meer. En toen ik 23 was, viel ik in het Citadelpark in Gent, vlak voor de enge tunnels. Helemaal van mijn melk, bel ik naar mijn vader die op dat moment aan het werken is, enkel en alleen om het hem te zeggen: “Ik ben gevallen.” Zo verbaasd dat het na al die tijd nog kan gebeuren.

Vallen is belangrijk. Als kind moet je leren vallen, en leren dat je ook weer op kan staan. Veiligheidsonderzoeker Dr. Joe Frost zegt het als volgt: “In de echte wereld, zit het leven vol risico’s – zowel financieel als fysiek, emotioneel en sociaal – en redelijke risico’s zijn essentieel voor de gezonde ontwikkeling van een kind.” Je waagt de sprong, je valt en je staat weer op. Vlak voor je springt, weet je dat je kan vallen. Je mag zelf de knoop doorhakken, zonder een helikopterouder die over je hoofd zoemt als een vervelende mug. Een redelijk risico dus.

Maar we vinden geen enkel risico nog redelijk of aanvaardbaar. Tien minuten in tien jaar tijd zonder (ouderlijk) toezicht, dat is te weinig om zelf te leren dat je kan vallen en weer opstaan. Dat is te weinig om op te groeien. Maar dat is ook de norm, zo lijkt het. En het resultaat is dat kinderen al op een heel jonge leeftijd leren om bang te zijn. Twintig jaar geleden verdwenen twee meisjes. En het was verschrikkelijk. En het zou niet mogen gebeurd zijn. En ik ril mee als ik de beelden opnieuw zie. Want nu begrijp ik het, hoe erg het was, en waarom.

Twintig jaar geleden was ik ook nog maar vijf jaar oud. Op het nieuws zag ik flarden: twee meisjes, nog meer meisjes, een verborgen kruipkamertje achter een kast. En de boze wolf die voor het eerst zijn tanden toonde, zonder dat ik toen echt besefte hoe erg het allemaal was. Het is niet het enige verhaal, jammer genoeg niet. Ik herinner me een pak gebeurtenissen die mij om het hart sloegen: de bende richtte een bloedbad aan in de winkels, de prinses werd achternagezeten en verongelukte in de tunnel, twee vliegtuigen boorden zich door twee torens, de troepen trokken door de woestijn, een vloedgolf spoelde mensenlevens weg, mensen werden gemarteld en overal was er wel een God die het hen allemaal influisterde.

En dan waren er die twee meisjes, twintig jaar geleden. En de andere meisjes die volgden. De meisjes die ik nooit zal vergeten. Het was zeker niet het definiërende verhaal van mijn jeugd. Maar het is het verhaal dat er sindsdien altijd was, ergens op de achtergrond. Ik was geen angstig kind, maar ik ben een angstige volwassene. Ik ben niet de enige. Ik ben op mijn hoede, ik ben waakzaam, ik bedenk op voorhand het worstcasescenario. Ik praat niet met vreemden, ik ga niet alleen op pad, ik vertrouw nog steeds geen witte bestelwagentjes, en ik probeer – als dat lukt – om voor het donker thuis te zijn. Ik doe er alles aan om niet te vallen. En als ik val, dan denk ik: waar zijn ze? waar zijn ze? waar in godsnaam zijn ze?

Hier. We zijn altijd hier. En misschien is dat wel het probleem.

Dik. Lelijk. Wijf.

Echte vrouwen hebben parmantige borsten die gewillig grijpgrage handen vullen. Echte vrouwen worden nooit een dag ouder dan eenentwintig. Echte vrouwen passen in een maatje zero, zero, zero. Echte vrouwen. Wat betekent dat zelfs? Echte vrouwen hebben rondingen die over de broeksrand rollen en rollen, pardoes de grond op. Echte vrouwen kijken soms dagenlang niet in de spiegel. Echte vrouwen voelen zich op een dag zo zichtbaar dat ze liever verdwijnen.

Sta mij toe meteen één ding op de goed gedekte tafel te gooien: ik ben dik. Zelfs als kind zeulde ik al meer kilo’s met me mee dan strikt nodig. “Ze zit goed in ’t vlees”, knipoogden oudere mensen schalks. En dan bloosde ik tevreden. Want als je vijf bent, kan je je amper inbeelden dat hoe je eruit ziet niet ok kan zijn. Ik was me er wel degelijk van bewust dat mijn lichaam niet volgens dezelfde hoeken was gedefinieerd als dat van de andere meisjes. Mijn lichaam is rond. Mijn lichaam is bol. Geen hoeken te bespeuren hier.

Wat ik ook doe, mijn overgewicht is steevast het eerste wat mensen opmerken. Dat snap ik ergens wel, want je kan er letterlijk niet omheen. Na een presentatie zullen ze vaak enkel onthouden dat die dikke het gezegd heeft. Meer niet. En dat maakt me bijtijds verschrikkelijk onzeker. Vooral wanneer ik mensen voor het eerst ontmoet, zit ik uren voor de afspraak al te janken voor mijn kleerkast omdat geen enkel van de stoffen kan verbergen dat er zoveel van mij is, veel meer dan ze waarschijnlijk verwachten.

Ik word nerveus telkens er een nieuwsitem op het journaal het heeft over de link tussen obesitas en suikerziekte, obesitas en hartfalen, obesitas en dementie, obesitas en de economische crisis, obesitas en de opwarming van de aarde, obesitas en alles wat je maar kan bedenken. Ik schuifel mijn breed achterwerk zenuwachtig in de zetel en adem jachtig. Soms wuif ik het weg met een opmerking: “Bij mijn vorige bloedonderzoek was alles goed. Weet je nog?” Er wordt geknikt. Niemand heeft er iets over gezegd, niemand keek zelfs mijn richting uit en toch voelde ik de druk om mezelf en mijn vetrollen te verdedigen.

Ik begin te studeren en besluit te gaan zwemmen. Niet omdat ik heel graag wil afvallen, maar omdat ik graag de trap wil blijven nemen zonder in ademnood te komen. Een paar baantjes trekken van tijd tot tijd om het hoofd boven water te houden, zoiets. Omdat ik onzeker ben over hoe ik er in zwempak uitzie, trek ik op mijn ukkie richting een plaatselijk overdekt sportzwembad. Liever alleen, liever zonder zoveel blikken. Voor ik vertrek, geef ik mezelf een uitvoerige peptalk. “Het kan niemand iets schelen dat je rondingen hebt”, klinkt het streng. Mijn ogen lijken tafelborden, zo groot. Ik blijf mezelf moed inspreken: “De mensen hebben bewondering dat je probeert. Niemand verwacht een olympische prestatie.” Uiteindelijk zwier ik de vuillinnen sporttas over mijn schouders en wandel ik gezwind – niet met de tram, pluspuntjes voor moeite – richting het water.

Aan de ingang van het zwembad, stuit ik op een luidruchtige groep jongens die net van een of andere gezamenlijke plonspartij komt. Ze zien er atletisch uit en ze lachen gemoedelijk, opgefokt door de adrenaline die ze net hebben gecreëerd. Wanneer de ogen van de leider van de groep, een gespierde jongen met kort getrimd blond haar, op mij vallen, wordt het stil. Ik probeer me langs hen te manoeuvreren en vergeet alle aanmoedigingen die ik nog geen halfuur geleden opsomde. De kerel staart me aan en vervolgens spreekt hij drie woorden uit, benadrukt door een punt na elk woord: “Dik. Lelijk. Wijf.”

Even stopt de wereld met draaien. Je kan een speld horen vallen. De schuifdeuren achter ons klappen open en dicht, open en dicht. De woorden resoneren lang in mijn hoofd voor ik ze echt aan hun betekenis kan vastpinnen. Dik. Lelijk. Wijf. “Excuseer”, mompel ik bijna hoorbaar en ik wring me tussen het groepje naar binnen waarna ze allemaal hartelijk beginnen lachen. Ik kijk niet meer om. Mijn ogen flitsen door de onbekende ruimte, op zoek naar het dichtstbijzijnde toilet. Dik. Lelijk. Wijf.

Ik wurm me een vrij stalletje binnen, vergrendel de deur en ga op de pot zitten. Ik ben er me pijnlijk van bewust hoeveel plaats ik inneem in dit kleine hokje. Ik wil mezelf kleiner maken. Er is niets meer over van mijn langzaam opgebouwd zelfvertrouwen. Ik trek mijn knieën helemaal tegen mijn kin. Geluidloos stromen de tranen over mijn wangen. Ik weet niet precies meer hoe lang ik daar zo gezeten heb. Ik herinner me dat er een aantal keer op de deur werd geklopt zonder dat ik antwoordde. Die avond, voor de allereerste keer in mijn leven, huil ik mezelf in slaap omdat ik dik ben. Omdat ik meer plaats inneem dan andere mensen. Omdat ik besta.

Laatst stond ik in het pashokje van een niet nader genoemde modeketen. Ik twerkte me enigszins moeizaam in een frivool rokje en tuurde in de spiegel. “Niet slecht”, knipoogde ik naar mijn reflectie. Waarna ik meteen toegaf: “Maar waarschijnlijk mooier bij een model.” Naast mij hoorde ik plots snikken. Eerst heel stilletjes, als een kraan die lekt. Daarna steeds luider en luider, als een kind dat haar moeder zoekt in een grootwarenhuis. De paskamer van de vrouwenafdeling is een soort tijdruimtevacuüm waarin enkel de ergste nachtmerries leven. Niemand reageert en uiteindelijk voel ik me te ongemakkelijk.

“Euhm.. alles ok?” vraag ik schuchter. Ik klop een paar keer op de krakende saloondeur. Een rood, betraand hoofd kromt zich om de hoek van het hokje. Ze neemt me op. “Onmogelijk”, hist ze. Ik sta perplex. “Wat is er aan de hand?” pols ik voorzichtig. Je weet nooit met wie je te maken hebt. Straks liggen we misschien te rollen over de vloer van het magazijn, elkaar de haren uittrekkend. “Kom binnen”, instrueert ze dwingend. Twijfelachtig doe ik wat ze vraagt.

Eens binnen zie ik een beeldschoon jong meisje in een frivool rokje. Hetzelfde frivole rokje waarin ik net mijn maatje 48 heb geworsteld. Het stukje stof watervalt moeiteloos over haar benige heupen, elegant, zoals het hoort. Ik heb meteen spijt dat ik voor haar sta in dezelfde couture. “Hoe komt het dat jij er wel mee staat?” vraagt ze. Pardon? Ik weet niet goed wat ik hoor. “Wat zeg je nu?” klink ik verbouwereerd, “Je ziet er godverdomme duizend keer beter uit dan ik! Ik wou dat ik jouw lichaam had.” Ze snuift schamper. “Dit? Er is amper iets om de kledij mee op te vullen. Nee, bedankt,” legt ze uit.

Echte vrouwen, weet ik, hebben er schoon genoeg van. Ik ken zo weinig mensen die zich goed in hun vel voelen. Omdat ze te dik zijn, omdat ze te dun zijn, omdat ze krullen hebben of net lokken die futloos naast het gelaat hangen. Omdat ze dunne lippen hebben, een andere huidskleur of godbetert een vreemde kleine teen.  De sportieve kerel noemde mij een DIK. LELIJK. WIJF. Alsof ik enkel dat ben, een waardeoordeel dat onlosmakelijk vasthangt aan drie dingen: gewicht, schoonheid en geslacht. En ik pik het niet meer. Ik hoef me niet te verdedigen. Ik hoef me niet te verontschuldigen. Ik heb een maatje meer, maar dat maakt me niet minderwaardig. Er is zoveel meer van mij, meer dan je waarschijnlijk verwacht. Het meisje in het pashokje kon je omver blazen, niet omdat ze zo mager was maar omdat ze zo onzeker oogde. En ik laat het niet meer toe. Echte vrouwen zijn wijven, topwijven. Echte vrouwen hebben er schoon genoeg van.